De oorlog in Oekraïne gaat binnenkort haar vijfde jaar in. Na de brutale Russische inval op 24 februari 2022 is het conflict verzand in een uitputtingsslag. Rusland bestookt de Oekraïense bevolking bijna dagelijks met grootschalige raket- en droneaanvallen, terwijl de Oekraïense troepen de Russische bezetter in het oosten van het land staande proberen te houden met een stevige verdedigingslinie, waarbij een combinatie van door artificiële intelligentie (AI) aangestuurde drones en elektronische oorlogsvoering een cruciale rol speelt.
Het hoge dodental in Gaza is mede het resultaat van een technologisch gestuurde ‘doelwittenfabriek’, nieuwe softwareprogramma’s die draaien op artificiële intelligentie.
Ondertussen gaan de Israëlische aanvallen in Gaza en de bezette Palestijnse gebieden verder, ondanks een onderhandeld staakt-het-vuren. Na de gruwelijke raid van Hamas op 7 oktober staat er geen rem op de vergeldingsoorlog van het Israëlische leger. Internationale organisaties en experten noemen die oorlog inmiddels ondubbelzinnig een genocide.
Het hoge dodental in Gaza is mede het resultaat van een technologisch gestuurde ‘doelwittenfabriek’. Nieuwe softwareprogramma’s die draaien op artificiële intelligentie stellen het Israëlische leger in staat om een enorm aantal potentiële doelwitten te genereren. Het gebruik van die technologie in combinatie met een politieke toestemming om niet-militaire doelwitten aan te vallen en daarbij niet al te veel rekening te houden met burgerslachtoffers, faciliteert nog steeds het genocidale geweld tegen de Palestijnen.
Het beste wapentuig
Artificiële intelligentie is vandaag alomtegenwoordig in onze samenleving en dat is niet anders in het militaire domein. We horen langs allerlei kanten dat het noodzakelijk is om onze strijdkrachten van het beste en meest gesofisticeerde wapentuig te voorzien zodat we competitief blijven en ons kunnen verdedigen.
Gezien de zeer reële bedreigingen aan de grenzen van de Europese Unie, zowel oost als west, valt daar iets voor te zeggen. Maar de ongebreidelde integratie van artificiële intelligentie in een militaire context is niet zonder gevaar. We moeten daar, als democratische samenleving, een diepgaand debat over voeren – niet op basis van opgeklopte slogans van defensie-CEO’s en -ministers – maar met kennis van de risico’s en limieten van de technologie.
We moeten een democratische debat voeren over artificiële intelligentie in een militaire context, met kennis van de risico’s en limieten van de technologie.
In tegenstelling tot wat veel mensen denken is AI geen specifieke technologie. Het is een verzamelnaam voor de verscheidenheid aan statistische methoden en computationele technologieën, gebaseerd op wiskundige algoritmes, waarmee de analyse van grote hoeveelheden data kunnen worden geautomatiseerd.
Eén van die technieken kennen we als machine learning, waarbij een systeem zichzelf kan ‘trainen’ om steeds beter te antwoorden op een bepaalde prompt of instructie. Denk aan generatieve AI-taalmodellen zoals ChatGPT en Copilot. Het is belangrijk om te beseffen dat AI geen magie is en al helemaal geen eigen bewustzijn of emotionele intelligentie heeft, hoe graag bedrijven als OpenAI ons dat ook willen doen geloven.
Autonome wapensystemen
In het militaire domein zijn er heel wat toepassingen waarbij (een vorm van) AI een belangrijke rol speelt. Debatten binnen de wetenschappelijke literatuur hebben zich tot nu toe voornamelijk gefocust op de autonomie van wapensystemen. Al sinds de vorige eeuw rekenen militaire organisaties op machines die bepaalde functies kunnen uitvoeren zonder tussenkomst van een mens, zoals luchtafweergeschut of stationaire, geautomatiseerde machinegeweren.
Deze systemen hebben duidelijke technische restricties: ze zijn op voorhand geprogrammeerd op basis van een handleiding vol regels, en kunnen zichzelf niets nieuws aanleren. Sinds enkele jaren, als gevolg van de toegenomen rekenkracht van computers en wetenschappelijke doorbraken in het AI-onderzoeksveld, is het mogelijk om alle cruciale functies van een wapensysteem – doelwitten zoeken, identificeren, volgen en uitschakelen – autonoom te laten draaien, voornamelijk door de techniek van machine learning.
Recent onderzoek van The New York Times, van 31 december 2025, toont aan dat AI-gestuurde drones nu dagelijks gebruikt worden op het Oekraïense slagveld – soms onder toezicht van een menselijke operator, soms ook niet. Volledig autonome wapensystemen zijn dus geen sciencefiction meer.
Gebaseerd op enkele eenvoudige prompts suggereren generatieve taalmodellen gedetailleerde militaire actieplannen, inclusief indrukwekkende visualisaties. Voorlopig nog met een menselijke operator achter het scherm.
Andere toepassingen van AI zijn minder zichtbaar. Militairen rekenen al decennialang op softwareprogramma’s om missieplannen of onderhoud- en transportschema’s op te stellen, en om doelwitten te identificeren en te visualiseren. Door recente doorbraken in AI-onderzoek, waaronder de ontwikkeling van large language models zoals Copilot en ChatGPT, worden de mogelijkheden van zo’n programma’s stevig uitgebreid. AI-gestuurde software kan nu gigantische hoeveelheden data verzamelen en analyseren.
Gebaseerd op enkele eenvoudige prompts suggereren generatieve taalmodellen gedetailleerde militaire actieplannen, inclusief indrukwekkende visualisaties. Voorlopig zit er nog een menselijke operator achter het scherm om een operatie goed te keuren, maar door de toegenomen snelheid en het grote aantal gesuggereerde doelwitten is de vraag hoe betekenisvol die controle in sommige gevallen nog is.
Black box
Dat brengt ons meteen bij de risico’s. Door de grote media-aandacht en het vaak bejubelende taalgebruik van sommige politieke leiders en analisten verdwijnen kritische bedenkingen te makkelijk naar de achtergrond. Nochtans zijn er duidelijke juridische, strategische en politieke risico’s verbonden aan de militaire toepassingen van artificiële intelligentie.
Op juridisch vlak maken deskundigen, waaronder militairen zelf, zich zorgen over de mogelijkheid van AI-gestuurde autonome wapensystemen of softwareprogramma’s om het internationaal humanitair recht – het oorlogsrecht – na te leven. Het oorlogsrecht vereist dat staten bij militaire operaties een strikt onderscheid maken tussen burgers en strijdende partijen en dat er proportioneel gehandeld wordt.
Zulke inschattingen zijn altijd context-gebonden en subjectief te beoordelen, wat voor AI-systemen erg moeilijk is. Bovendien zijn zo’n systemen vaak een soort black box waarbij het onmogelijk is om na te gaan waarom ze tot een bepaalde actie of beslissing zijn overgegaan. Bij fouten of ongelukken is het dan onduidelijk wie aansprakelijk is: de militaire bevelgever, de operator of de programmeur van het AI-systeem?
Daar komen nu ook de nieuwe generatieve AI-taalmodellen bij die naarstig in militaire besluitmakingprogramma’s worden geïncorporeerd. Door hun specifieke programmatie zijn zij per definitie vatbaar voor hallucinaties, wat hen onbetrouwbaar maakt in een militaire context. Het hoeft geen betoog dat het vandaag cruciaal is om over de naleving van het internationaal humanitair recht te waken, gezien de flagrante schendingen ervan van Israël in Gaza, van Rusland in Oekraïne en van de Verenigde Staten in Venezuela en de Caraïben.
Heel wat gerenommeerde AI-wetenschappers en juristen pleiten er daarom voor om (generatieve) AI sterk te reguleren of zelfs te verbieden in systemen die over leven en dood kunnen oordelen.
Oorlogsmist
Vanuit een strategisch oogpunt lijken militaire AI-toepassingen op het eerste gezicht voornamelijk voordelen op te leveren. De enorme hoeveelheid data die inlichtingendiensten en militaire organisaties verzamelen kan op een gestructureerde en geautomatiseerde manier worden verzameld en geanalyseerd. De snelheid om tot beslissingen te komen kan worden opgedreven tot een punt waarbij de mens niet langer in staat is te volgen.
Dit zou in principe een voordeel kunnen opleveren tegenover een opponent die geen gelijkaardige middelen heeft. Maar oorlogsvoering met een overvloed aan inkomende data die aan ‘machine-snelheid’ wordt geanalyseerd houdt ook serieuze risico’s in: de zogenaamde fog of war, de oorlogsmist die een helder beeld van de actuele situatie op het slagveld verhult, lijkt niet af te nemen door AI maar zal integendeel nog ondoordringbaarder worden.
De overvloed aan informatie en systemen en de nieuwe manieren voor sabotage en misleiding die inherent zijn aan de technologie verhogen net de onzekerheid voor bevelgevers.
De snelheid om tot beslissingen te komen kan worden opgedreven tot een punt waarbij de mens niet langer in staat is te volgen.
Wanneer een AI-gestuurd programma militaire acties suggereert aan een snelheid die een operator of bevelgever slechts enkele minuten geeft om een beslissing te nemen, dreigt het gevaar van een ongewilde escalatie – als er al een mens in de beslissingsprocedure zit. Een onschuldige crisis tussen concurrerende staten kan in dat geval vliegensvlug escaleren tot een oorlog die niemand wenst.
Zeker wanneer het over een conflict tussen kernmachten gaat, waarbij nucleaire afschrikkingsdoctrines verzekeren dat een aanval steeds gevolgd wordt door een zwaardere vergeldingsaanval, moeten we ons realiseren dat dit een existentiële planetaire bedreiging inhoudt.
Destructieve kracht
Tot slot zijn er op politiek vlak aanzienlijke risico’s die de voorpagina’s niet halen. De ongebreidelde drang naar de integratie van AI in militaire systemen leidt nu al tot een wapenwedloop waarbij de machtigste militaire staten zoals de VS, Rusland en China kost wat kost de militair-technologische bovenhand willen behalen. Tegelijkertijd verlaagt de politieke drempel om oorlog te voeren.
Politieke leiders kunnen steunen op AI-programma’s die op basis van geautomatiseerde databases duizenden doelwitten kunnen genereren in een oogwenk, terwijl andere AI-systemen zogenaamd de meest ‘precieze’ en ‘humane’ methodes kunnen voorzien om die doelwitten uit te schakelen, zonder daarbij eigen soldaten in gevaar te brengen. Zo wordt de kost om oorlog te voeren steeds minder tastbaar voor de eigen bevolking, terwijl de destructieve kracht van het geweld alleen maar toeneemt.
Dat is precies wat we de voorbije jaren in Gaza hebben gezien. Onderzoekers van het Israëlische +972 Magazine toonden in 2024 aan dat het Israëlische leger steunt op AI-gestuurde besluitvormingssystemen, met namen zoals Where’s Daddy, Gospel, en Lavender, om een continue stroom aan doelwitten in Gaza te genereren – met de genocide als resultaat.
Toch houd ik geen pleidooi om de integratie van AI in het militaire domein volledig tegen te houden. In specifieke, duidelijk omlijnde situaties kan AI grote voordelen bieden voor militaire organisaties. Denk aan ontmijningsopdrachten met gerobotiseerde voertuigen, aan de planning en uitvoering van logistieke taken, of aan predictive maintenance waarbij op basis van data van sensoren bepaald wordt wanneer een machine onderhoud nodig heeft. In deze context, wanneer een AI-gestuurd systeem niet rechtstreeks over leven en dood kan beslissen, hebben AI-applicaties zeker hun nut.
Palantir
Militaire toepassingen van artificiële intelligentie werden lang beschouwd als sciencefiction, waar we enkel in hypothetische termen over konden debatteren. Maar de realiteit heeft ons ingehaald – ongetwijfeld als gevolg van de wereldwijde conflicten en wijdverspreide militarisering. Dat leidt tot tastbare gevolgen, waarvan we ons goed bewust moeten zijn.
Eerst en vooral wordt een gevaarlijk hellend vlak gecreëerd: gedwongen door noodzaak zet Oekraïne fors in op militaire AI-toepassingen zoals drones. Andere Westerse landen volgen die trend, omdat zulke systemen nu eenmaal van levensbelang blijken in de verdediging tegen Rusland. Tegelijkertijd zien we dat Israël AI inzet om op groteske wijze onderdrukking te institutionaliseren, civiele infrastructuur te verwoesten en burgers in koelen bloede uit te moorden.
Heel wat Europese landen sloten al miljoenencontracten af met Palantir, het Amerikaanse bedrijf van Alexander Karp, die dweept met xenofobe ideologieën.
Het is belangrijk om kritisch te blijven over de technologie, bijvoorbeeld wanneer het gaat om de naleving van het internationaal humanitair recht, zelfs al lijkt ze van cruciaal belang in een specifieke context die we allemaal legitiem achten, zoals de verdediging van Oekraïne. Het gevaar bestaat dat het maatschappelijk draagvlak voor regulering afneemt omdat de indruk wordt gewekt dat de technologie voornamelijk legitieme doeleinden dient.
Daarnaast worden nieuwe politieke en economische afhankelijkheden gecreëerd. De meeste militaire AI-toepassingen worden niet geproduceerd door de traditionele defensie-industrie maar door technologie startups en Big Tech-bedrijven. Heel wat Europese landen sloten al miljoenencontracten af met Palantir, het Amerikaanse bedrijf onder leiding van Alexander Karp. Die dweept regelmatig met xenofobe ideologieën waarbij hij beweert dat ‘de Westerse manier van leven’ – wat dat ook moge betekenen – moreel superieur is aan alle andere.
Zijn technologie moet het Westen, en dan voornamelijk de Verenigde Staten, de middelen geven om anderen af te schrikken, te domineren, en, indien nodig, te vermoorden. Dat zijn Karp’s eigen woorden. Momenteel voorziet Palantir de Amerikaanse immigratiedienst ICE en het ministerie van binnenlandse veiligheid van de nodige software om de radicale deportatiepolitiek van Donald Trump uit te voeren.
Momenteel voorziet Palantir de Amerikaanse immigratiedienst ICE van de nodige software om de radicale deportatiepolitiek van Donald Trump uit te voeren.
Zolang zulke bedrijven, met dergelijke nauwe banden met de autoritaire Amerikaanse regering, toegang krijgen tot de meest gevoelige databases van Europese landen en zelfs gevraagd worden om de digitale infrastructuur verder uit te bouwen, zal de idee van Europese soevereiniteit een stille dood sterven.
Diplomatieke voortrekkersrol
Gelukkig zijn er ook positieve ontwikkelingen. Een overduidelijke meerderheid van de internationale gemeenschap sprak zich in november uit over de gevaren van AI in het militaire domein tijdens een vergadering van de Algemene Raad van de Verenigde Naties. In een resolutie benadrukten 156 lidstaten dat een multilaterale aanpak noodzakelijk is om de risico’s te temperen.
Vooral landen in het Globale Zuiden zijn voortrekker, samen met een aantal Europese staten waaronder België. Gezien de huidige staat van de internationale politiek en de betrokkenheid van zowat alle militaire grootmachten in lopende conflicten lijkt universeel bindende wetgeving weinig waarschijnlijk.
Een alternatieve route waarbij een coalitie van gelijkgezinden het voortouw neemt, zoals bij de onderhandelingen rond het verdrag van Ottawa in de jaren 1990 om anti-persoonsmijnen te verbieden, heeft meer kans op succes. Net als toen kan België een diplomatieke voortrekkersrol op zich nemen en zo pogen om van deze wereld een iets veiligere plek te maken – niet op grond van bedreigingen met geweld en wapentuig, maar op basis van internationale solidariteit en afspraken.

