Een verouderende bevolking, een sterke stijging van het aantal mensen met een chronische aandoening, een ‘pandemie’ van obesitas, diabetes en mentale problemen en daarbovenop een steeds grotere groep mensen die uitvallen op de arbeidsmarkt. De Belgische gezondheidzorg staat voor enorme uitdagingen.
Ons gezondheidszorgsysteem is robuust, maar heeft nood aan moderniserings- en verbouwingsingrepen voor de toekomst. Voorstellen daarover schieten vandaag alle kanten uit. En ze schieten vaak met scherp op het middenveld en op de mutualiteiten. We riskeren zo ons model van sociale zekerheid onderuit te halen. Mutualiteiten lijken voor sommige politici niet meer dan een nice to have.
Tegen het middenveld
De aanval op de mutualiteiten gaat over hun positie: tussen de burger en de overheid, in het middenveld dus. We zien twee verschillende motivaties voor de kritiek op de mutualiteiten. Eén strekking streeft naar etatisering. De overheid wil alles zelf in handen krijgen, ook in de uitvoering van de sociale zekerheid.
We merken dat we als mutualiteit in een steeds strakker keurslijf worden gedwongen, met meer regels en minder beweegruimte. Een goed voorbeeld hiervan is de opdrachtenbrief van de regering die het verzekeringscomité voor de zomer kreeg. Om dat te kaderen: in het verzekeringscomité van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) zetelen vertegenwoordigers van de zorgverstrekkers en van de patiënten, wiens belangen de mutualiteiten verdedigen. Dat is de basis van ons historische model van medebeheer van de middelen voor gezondheidszorg, zoals dat in de jaren veertig ontstond.
Elk jaar maakt dit verzekeringscomité een budget op voor de gezondheidszorg voor het komende jaar. Dat wordt voorgelegd aan de Algemene Raad van het RIZIV, waarin ook vertegenwoordigers van de regering en van de werkgevers zetelen, die het goed- of afkeurt. De budgetonderhandelingen starten meestal in september, om te landen tegen het eind van het jaar. Afgelopen jaar ontvingen we al voor de zomer een zogenaamde opdrachtenbrief van minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit). Die schetste de contouren en deed suggesties voor de budgetopmaak voor het komende jaar. Op zich een nobel initiatief, maar het maakt wel duidelijk dat de politiek de krijtlijnen steeds meer zelf uitzet, vooraleer het middenveld gehoord wordt.
Deze tendens lijkt op het eerste gezicht misschien minder nefast voor de gezondheidszorg, maar er zijn risico’s aan verbonden. Elke vijf jaar komt er een nieuwe federale regering, met een nieuwe minister van Volksgezondheid, die nieuw beleid voorstelt naargelang zijn partijkleur en bijhorende maatschappijvisie.
We moeten erop kunnen rekenen dat politici rekening houden met de input van de actoren op het terrein, anders riskeren we in golven mee te surfen op de stromingen in de democratie.
We moeten erop kunnen blijven rekenen dat politici rekening houden met de input van de actoren op het terrein, anders riskeren we in golven mee te surfen op de stromingen in de democratie. Die deiningen zijn normaal in een democratie, maar zonder verankering in het terrein doen ze afbreuk aan de robuustheid van ons zorgsysteem. Om dit te counteren werd in 2023 de commissie voor gezondheidszorgdoelstellingen opgericht, die de langetermijnkoers moet helpen bepalen.
Artsen dromen van privatisering
De andere tendens streeft naar privatisering. De overheid voorziet in deze visie enkel in het minimum minimorum qua gezondheidszorg, met veel ruimte voor private commerciële actoren om sturend op te treden. Bepaalde zorgverleners zwengelen die visie aan. Zij zijn van mening dat ze vanuit hun statuut als vrij beroep, ook vrij moeten zijn om hun ereloon en bijbehorende -supplementen te bepalen.
Vandaag gaan we ervan uit dat we allemaal samen een pot leggen voor wanneer het met een van ons minder gaat, zodat die persoon op dat moment aanspraak maakt op het nodige budget om zich te laten verzorgen. Dat heet solidariteit. De honoraria van artsen komen ook uit deze pot, en zijn dus geld van ons allemaal. Dat wil zeggen dat we allemaal samen, via het medebeheer – herinner u het verzekeringscomité hierboven – beslissen wie welke vergoeding krijgt voor welke prestatie. De neiging tot privatisering is nefast en leidt tot een geneeskunde op twee snelheden.
Sommige artsen zijn van mening dat ze vanuit hun statuut als vrij beroep, ook vrij moeten zijn om hun ereloon en bijbehorende -supplementen te bepalen.
Recent bracht het Intermutualistisch Agentschap (IMA) naar jaarlijkse gewoonte de ziekenhuisbarometer uit, een studie over de evolutie van de ziekenhuisfacturen voor de patiënt. Daaruit bleek dat ereloonsupplementen in 2024 in totaal stegen met meer dan 9 procent, ondanks een bevriezing van het maximumpercentage dat gevraagd mocht worden, tussen 2022 en 2024. De stijging van de eigen bijdrage ligt zo een pak hoger dan de stijging van de tussenkomst door de ziekteverzekering of van het remgeld.
Ereloonsupplementen maken bijna de helft uit van de kosten die patiënten zelf betalen voor een ziekenhuisopname. Het zou intellectueel onfair zijn om de stijging van de ereloonsupplementen enkel en alleen aan de stijgende inkomens van artsen te wijten, ereloonsupplementen dienen via afdrachten immers gedeeltelijk voor de financiering van de ziekenhuizen, maar deze financiering is een black box. Sommige ziekenhuizen vragen nauwelijks ereloonsupplementen en zijn toch financieel gezond.
Verzekeren naar behoefte
De discussie over de ereloonsupplementen kan dus niet los gezien worden van de kwestie van de hervorming van de ziekenhuisfinanciering. Toch laten sommige reacties uit de medische wereld weinig aan de verbeelding over. Ik citeer uit een socialmediapost: ‘Hebben we niet dringend behoefte aan volledige privéziekenhuizen zodat deze bemoeizucht wegvalt? Men kan zich dan beter privé verzekeren volgens eigen behoefte. Dan is het probleem mutualiteiten (eigen cursivering) opgelost, maar dat betekent ook het einde van de heilige solidariteit die er nu al niet echt meer is.’
Dat is een gevaarlijke redenering. Er is immers geen sprake van het ‘verzekeren volgens eigen behoefte’. Twee miljoen Belgen hebben nog steeds geen hospitalisatieverzekering, waar anderen vaak dubbel verzekerd zijn, zowel privé als via hun werkgever. Van onze leden met een verhoogde tegemoetkoming, een teken van financiële kwetsbaarheid, heeft 5,39 procent een hospitalisatieverzekering bij CM, tegenover 46 procent van onze leden zonder dat statuut.
Wie geen hospitalisatieverzekering heeft, liet die niet links liggen omdat er geen behoefte aan is, maar omdat er geen geld voor is. De solidariteit is dus wel degelijk heilig voor deze groep.
Ondanks dat de Verenigde Staten twee keer zoveel geld uitgeven aan gezondheidszorg als andere landen met een gelijkaardig bbp, is de gezondheid van de Amerikanen slechter.
De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk tonen elk op hun manier dat noch etatisering noch privatisering voor meer gezondheid zorgt. Ondanks dat de Verenigde Staten twee keer zoveel geld uitgeven aan gezondheidszorg als andere landen met een gelijkaardig bbp, is de gezondheid van de Amerikanen slechter dan die van vergelijkbare OESO-landen met een hoog inkomen. In 2024 bedroegen de Amerikaanse (zowel publieke als verplichte en vrijwillige private) uitgaven voor gezondheidszorg 14.885 dollar per persoon.
Duitsland en Nederland stonden boven België op de lijst, met respectievelijk 9.365 euro en 8.436 euro per persoon – tegenover 7.750 euro per persoon in België.
In het Verenigd Koninkrijk blijkt dan weer dat de productiviteit van de NHS (National Health Service) de afgelopen jaren sterk is gedaald ondanks extra personeel, doordat het aantal ziekenhuisbedden en de diagnostische capaciteit tekortschieten. De wachtlijsten zijn sterk gestegen, bijvoorbeeld voor kankergevallen en spoedeisende hulp. Dat leidt mogelijk tot zo’n 14.000 vermijdbare sterfgevallen per jaar, blijkt uit een rapport van voormalig Brits zorgminister Ara Darzi.
Een solidair verzekeringsmodel
Het mutualistisch systeem is een solidair verzekeringsmodel. Die solidariteit trekken we door in de drie soorten verzekering die ziekenfondsen bieden: de verplichte ziekteverzekering, de aanvullende ziekteverzekering en de facultatieve ziekteverzekering. De verplichte ziekteverzekering is voor elke Belg dezelfde, die is in zijn conceptie solidair.
Maar ook in onze aanvullende verzekeringen zetten we solidariteit voorop. Dat is het gedeelte aan diensten en tegemoetkomingen die van mutualiteit tot mutualiteit verschillen en die vergoed worden via de ledenbijdragen. Met dit budget doen we hetzelfde als toen we ontstonden, in de tijd dat arbeiders samenlegden voor als een van hen een arbeidsongeval kreeg of ziek werd: voor mekaar zorgen.
Een goed voorbeeld is tand- en oogzorg, daarin doen we stevige inspanningen vanuit de aanvullende verzekering, omdat de terugbetalingen in de verplichte ziekteverzekering eerder beperkt zijn. We spelen vanuit die aanvullende verzekering in op noden waarmee onze leden kampen. Sinds dit jaar betalen we daarom bijvoorbeeld psychodiagnostische tests terug buiten het ‘terugbetaalde circuit’ in de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG).
We gebruiken onze reserves niét om aandeelhouders blij te maken – die hebben we simpelweg niet. Elke euro vloeit terug naar onze leden.
Vele ouders hebben immers de resultaten van zo’n test nodig voor de inzet van adequate begeleiding op school, maar lange wachttijden in het terugbetaalde circuit zorgen ervoor dat de juiste begeleiding vaak te lang op zich laat wachten. Daarom komen wij nu tussen bij ‘duurdere’ private psychodiagnostische tests die sneller afgenomen kunnen worden.
We zijn zelfs solidair in onze hospitalisatieverzekeringen. Dat lijkt een contradictio in terminis, maar is het niet. In een ideale wereld zijn er voor ons geen hospitalisatieverzekeringen nodig. We hebben daarom lang niet meegedaan aan het opbod tussen hospitalisatieverzekeraars om het maximumpercentage aan terugbetaalde ereloonsupplementen op te trekken, uit marktregulerende overwegingen. Sinds dit jaar doen we dat wel, omdat we zagen dat te veel van onze leden een hospitalisatieverzekering nodig hadden om geen financiële kater aan een hospitalisatie over te houden. We vergoeden sinds dit jaar ereloonsupplementen tot 150 procent terug, waardoor je in 80 procent van de ziekenhuizen in Vlaanderen ‘safe’ zit en beschermd bent tegen supplementen, ook op een éénpersoonskamer.
Het bedrag dat we daarvoor nodig hebben, komt uit onze reserves. We gebruiken onze reserves dus niét om aandeelhouders blij te maken – die hebben we simpelweg niet. We hebben bovendien reserves nodig. We zouden een hele slechte en onbetrouwbare verzekeraar zijn zonder reserves. De wet verplicht ons om onze aangesloten leden levenslange dekking te garanderen. Elke euro vloeit dus terug naar onze leden.
Bovendien sluiten onze verzekeringsproducten niemand uit, noch omwille van leeftijd, noch omwille van vooraf bestaande medische condities. Dat is ook de reden waarom we vrijgesteld zijn van de verzekeringstaks. We betalen wel de RIZIV-taks van 10 procent. Dit is een ‘sociale’ taks ter compensatie van het inflatoir effect dat verzekeringen hebben op hun (hoger) aanrekengedrag in ziekenhuizen. Mutualiteiten betalen dus wel degelijk belastingen – en naast deze taksen ook de rechtspersonenbelasting, gezien we geen vennootschap maar rechtspersoon zijn, een rechtsvorm waarin we door de overheid zijn ondergebracht.
Spreekbuis
Het staat elke verzekeraar in België vrij om te kiezen voor een coöperatieve formule zoals de onze en producten aan te bieden zonder uitsluiting. Toch doen ze dat niet. De reden? Mensen die wij facultatief verzekeren, zijn commercieel gezien niet interessant.
Commerciële hospitalisatieverzekeringen mikken op ‘de werkende mens’, op beroepsactieve leeftijd, niet te oud, redelijk gezond, en bovendien voorzien van een inkomen dat hem of haar in de mogelijkheid stelt om de premie te betalen, of beroep te doen op een werkgever die de premie als aantrekkelijk extralegaal voordeel financiert.
Elke verzekeraar kan kiezen voor een coöperatieve formule zoals de onze. Toch doen ze dat niet. Mensen die wij facultatief verzekeren, zijn commercieel gezien niet interessant.
Mutualiteiten hebben naast hun rol als sociaal verzekeraar een belangrijke rol als ledenorganisatie en -vertegenwoordiger. Wij zijn de spreekbuis van de patiënt in het overleg met de zorgverleners waar de gezondheidszorg wordt vormgegeven – en gefinancierd. We worden voor onze stellingnames in dit overleg stevig gevoed door de signalen van onze dienst ledenverdediging. Zo kregen we eind 2024 de eerste signalen dat mensen met een verhoogde tegemoetkoming niet meer welkom waren bij hun tandarts, omwille van het verbod om ereloonsupplementen te vragen aan deze mensen vanaf 2025.
Die signalen zijn de brandstof voor het debat met ministers en (tand)artsenvertegenwoordigers, waarna er aanpassingen zijn gebeurd in de regelgeving om dit nefaste effect op patiënten te voorkomen. Er kwamen uitzonderingen voor bepaalde ingrepen, maar ook extra middelen voor tandartsen die mensen met een beperking verzorgden omdat hun honoraria effectief te laag waren voor het uitgevoerde werk en de tijd die zij nodig hadden voor deze patiënten. Zonder dit signaal vanuit onze leden, was het beleid ongewijzigd gebleven, met impact op de mondgezondheid van wie kwetsbaar is.
We pikken daarnaast signalen op via datamining. We analyseren de ziekenhuisfacturen van onze leden op die manier. Zo merkten we dat patiënten na hospitalisatie in bepaalde ziekenhuizen steevast een soort van ‘accomodatiekost’ op hun factuur terugvonden, zogezegd voor het gebruik van koelkast, tv en wifi op de kamer. Die dienstverlening zit echter al vervat in de kamerprijs, en bovendien zou er een opt-out moeten zijn voor dit soort bijkomende kosten. Je moet als patiënt kunnen kiezen voor een kamer zonder tv, al is dat in de praktijk natuurlijk onmogelijk want de tv is aan de muur geschroefd.
'Kampjes'
Het principe van solidariteit hanteren we net zo goed als sociaal ondernemer. Wij gaan op zoek naar onvervulde noden in de zorg en stoppen zo de ‘gaten’ in de markt die niet door de privésector worden ingevuld omdat ze commercieel oninteressant zijn. Zo baten we twee herstelverblijven uit, doen we aan drughulpverlening en zorgden we voor rolstoeltoegankelijke deelmobiliteit, een soort Cambio voor mensen met een beperking.
Focus is belangrijk: we stootten onze Goed-apotheken af, om terug te komen tot de kern van onze dienstverlening met medische hulpmiddelen via de thuiszorgwinkels van Goed, essentiële ondersteuning in een vergrijzende samenleving waarin ouderen worden gestimuleerd om steeds langer thuis te wonen.
Kazou de grootse aanbieder van vakanties voor jongeren met een beperking. Niet zomaar ‘kampjes’ dus, zoals politici en opiniemakers soms schamper zeggen.
Tot slot hanteren we het solidariteitsprincipe binnen Kazou, onze jongerendienst. Want ja, wij zijn van mening dat een mutualiteit ook ‘kampjes’ moet organiseren, zoals politici en opiniemakers soms schamper zeggen over dit onderdeel van onze werking. Kazou vormt jaarlijks 1.350 jongeren tot animator. Met dat diploma gaan ze nadien aan de slag in andere jeugdwerkorganisaties of bijvoorbeeld op een speelplein.
We zorgen voor permanente coaching, ondersteuning en community building van een enthousiaste groep van zesduizend vrijwilligers. Zij begeleiden de vakanties puur uit engagement, zonder er één euro aan te verdienen. Kazou zorgt ervoor dat jaarlijks tweeduizend jongeren met een beperking mee op vakantie kunnen met JOMBA en dat 450 jongeren met een extra zorgnood meekunnen met de reguliere vakanties. Daarmee is Kazou de grootse aanbieder van vakanties voor jongeren met een beperking. Kazou zet zich daarenboven in om elk jaar 1.400 kinderen die niet écht op vakantie kunnen, toch vakantie te laten houden op de plek waar ze verblijven, onder het motto Kazou Lokal. Dat kan een ziekenhuis, maar net zozeer een asielcentrum zijn.
Solidariteit is de kern van wat we doen. Dat lijkt misschien enkel een filosofische saus om een businessmodel te overgieten, maar wij zijn van het tegendeel overtuigd. De moeder van een jongen met een beperking die 23 jaar lang met JOMBA mee op vakantie ging, verwoordde het zo: ‘Mijn eeuwige bewondering voor de jonge mensen die deze vakantie begeleiden en voor de zwakkeren in onze samenleving zorgen. Je kan overal vakantiejobs doen, maar toch heb je een groep vrijwilligers die ervoor kiezen om dit te doen.’
Het middenveld is een solide partner om met de grote actuele gezondheidsuitdagingen om te gaan, maar werpt ook een dam op tegen angstaanjagende macro-tendensen die de wereld overspoelen vandaag: individualisering, polarisatie, verruwing van het debat, autocratie, commercialisering, privatisering, de-socialisering via sociale media en de culpabilisering van wie kwetsbaar is. Wij zullen blijven bouwen aan een warme samenleving waarin we niemand in de kou laten staan en waarin we onvoorwaardelijk zorg dragen voor elkaar.



