De maatschappijwetenschappelijke lens laat toe om vast te stellen dat de aandoening niet alleen een individueel probleem is, maar vooral diepgeworteld is in maatschappelijke structuren en culturele verwachtingen. De medicalisering van burn-out, waarbij het wordt behandeld als een strikt individuele aandoening, zorgt er niettemin voor dat de bredere maatschappelijke oorzaken vaak over het hoofd worden gezien.
Laten we eens kijken naar de prehistorie van de burn-out. Het fenomeen kent namelijk conceptuele voorlopers die qua symptomen en aangeduide oorzaken sterk op een hedendaagse burn-out lijken. Een daarvan is neurasthenie, in de tweede helft van de 19de eeuw in de Verenigde Staten beschreven als een staat van mentale en emotionele vermoeidheid.
De volgende beschrijving dateert uit 1881: ‘Uitputting die voortkomt uit ongewone en ongebruikelijke inspanning. Om dit te overkomen (…) wordt de reserve aangesproken, en wordt het individu vermoeid. De voornaamste reden voor deze ontwikkeling en voor de zeer snelle toename van zenuwachtigheid is de moderne samenleving.’
Dokters beschreven 'neurasthenie' expliciet als een gevolg van het verstedelijkte leven en het versnelde levenstempo dat gepaard ging met de industriële revolutie.
Neurasthenie werd voornamelijk gekenmerkt door een verregaande uitputting, zwakheid, lethargie, en onvermogen om uit te rusten. Dokters beschreven de gesteldheid expliciet als een gevolg van het verstedelijkte leven en het versnelde levenstempo dat gepaard ging met de industriële revolutie.
Sterker nog, het actief in verband brengen met die moderne maatschappij was voor medici een noodzakelijke factor om de term te kunnen aanwenden. Neurasthenie werd expliciet geduid als een beschavingsziekte en kreeg zelfs de bijnaam ‘ziekte van de moderniteit’.
Die moderniteit manifesteerde zich volgens experts in specifieke elementen, waaronder ‘het perfectioneren van klokken en de uitvinding van horloges, die ons altijd aanmanen exact op tijd te zijn’. De jachtige opeenvolging van allerlei nieuwe technologische uitvindingen leidde tot een algehele haastigheid en uitputting in de samenleving, zo luidde de interpretatie.
Menselijke uitputting begrijpen ontsnapt niet aan de heersende denkkaders van de tijd.
Er is een treffende gelijkenis met de wijze waarop burn-out vandaag vaak wordt beschreven. Toch blijkt de geschiedenis veeleer te rijmen dan zich te herhalen. Er is een opvallend conceptueel verschil. Geïnspireerd door de zich in die tijd ontwikkelende en zeer populaire wetenschappelijke velden van thermodynamica en fysica, bekeken dokters de slachtoffers van neurasthenie als ‘elektrische batterijen waarvan de reserves zijn uitgeput door ongewoon veel inspanning’.
Termen als een ‘uitgeputte motor’, ‘prikkelbare machine’ of een systeem waarvan ‘de zenuwenergie is opgebruikt’ komen vaak terug. Menselijke uitputting begrijpen ontsnapt met andere woorden niet aan de heersende denkkaders van de tijd. De geschiedenis van neurasthenie leert ons dat menselijke uitputting door externe factoren in zekere zin tijdloos is, maar dat de specifieke manier waarop die ervaring wordt begrepen, beschreven en veruitwendigd via een bruikbaar concept juist zeer tijdsgebonden is.
Overgewaaid uit Amerika
De geschiedenis van burn-out zoals we het vandaag kennen start in 1974, wanneer het een eerste formele beschrijving krijgt in het wetenschappelijke artikel Staff Burn-Out. Auteur en psychiater Herbert Freudenberger staat aan het hoofd staat van een zogenaamde free clinic, een gezondheidszorginstelling die gratis of tegen een kleine vergoeding diensten aanbiedt aan personen met sociale en financiële uitdagingen.
Freudenberger merkt op dat veel van zijn collega-vrijwilligers na verloop van tijd tekenen vertonen van emotionele en fysieke oververmoeidheid. Sommigen kregen zenuwinzinkingen en vielen uit, anderen stopten met het vrijwilligerswerk, zelfs al lag het hen na aan het hart. De psychiater beschrijft zijn opgebrande collega’s als uitgeput door buitensporige eisen aan energie, kracht of middelen, en benadrukt dat ‘ze voor geen enkel doel of geen enkele taak nog inzetbaar zijn’.
De zorgverlening moest worden vertaald naar een afvinklijst van geformaliseerde handelingen. De specifieke uitputting die daaruit volgden werd veruitwendigd via de term 'burn-out'.
De sociaaleconomische context van die tijd verklaart waarom uitputting zo opvallend vaak voorkwam. Het betrof een periode van felle sociale onrusten in de Verenigde Staten: stijgende misdaadcijfers, toenemende drugsproblemen, de start van een aidsepidemie, een toename van huiselijk geweld en dakloosheid. Ondanks deze problemen had de Amerikaanse overheid weinig oor naar sociale hervormingen.
Sterker nog, ze kondigden aanzienlijke belastingverlagingen aan boven op het neoliberale besparingsbeleid dat in de pijplijn zat. Zo ontstond de perfecte storm. Aan de ene kant een opstoot van sociale onrust en gezondheidsproblemen, aan de andere kant een radicaal teruggeschroefde overheidssteun. Die combinatie leidde tot een noodgedwongen privatisering van sociale hulp- en zorginstellingen, wat al snel een problematisch huwelijk bleek.
De zakelijke en op winst gerichte aanpak die organisaties zich plots moesten aanmeten om competitief te zijn in de private sector bleek maar moeilijk verzoenbaar met de emotioneel beladen aard van het zorgverlenende werk. Bovendien bereikte de werkdruk een kookpunt in het licht van de toegenomen sociale onrusten.
Vanaf de beginjaren negentig duikt het burn-outconcept ook op in de Vlaamse zorgsector.
De zorgverlening, diepgeworteld in menselijke connectie, moest worden vertaald naar een afvinklijst van geformaliseerde handelingen, die zo efficiënt mogelijk diende uitgevoerd te worden. De specifieke spanningen en uitputting die daaruit volgden werden veruitwendigd via de term burn-out.
Vanaf de beginjaren negentig duikt het burn-outconcept ook op in de Vlaamse zorgsector. De overeenkomsten met de Amerikaanse context zijn treffend. Uitgeputte zorgverleners, die via het burn-outbegrip uiting geven aan hun situatie, klagen over de bureaucratie die steeds dieper binnendringt in de zorgsector. Voor velen is de job bandwerk geworden en is er minder plaats voor persoonlijk contact.
Zorgwerkers geven aan dat het lijkt alsof men hun werk van bovenuit invult als een lijst met af te vinken taken. Er is vrijwel geen ruimte voor sociale omgang met patiënten. Bovendien schuiven de betrokkenen nadrukkelijk de werkdruk naar voren als een kernelement van hun uitputting. Zorg- en hulpverleners moeten meer taken aankunnen, maar krijgen minder tijd om ze uit te voeren. Daar komt nog bij dat er te weinig geïnvesteerd wordt in extra personeel.
Er is een constante onderbezetting, overbelasting en te hoge werkdruk, zo klinkt het. Systematische besparingen verhinderen dat de werkdruk verlaagt.
Inwisselbaar
Vanaf de jaren 2000 weerklinken soortgelijke klachten steeds luider in steeds meer beroepssectoren. Ethicus Jan Rolies analyseert in die periode dat alsmaar meer bedrijven hun personeelsbestand opvatten als een poel van onderling inwisselbare werkkrachten of, in zijn eigen woorden, als ‘menselijk kapitaal dat maximaal moet renderen met minimale kosten’. (De Standaard, 5 januari 2002)
Er heerst een competitieve bedrijfscultuur die leidt tot allerlei kwalen in de directe werkomgeving. Een groeiend aantal werknemers ervaart het werk als een ziekmakende mix van focus op productiviteit, hoge werkdruk, gebrek aan ondersteuning, groeiend wantrouwen en een beroerde werksfeer. Rolies’ analyse biedt nog een andere, scherpe aanvulling. Hij geeft aan dat deze evolutie alleen mogelijk is omdat zoveel personen die agressieve bedrijfscultuur hebben geïnternaliseerd.
Ethicus Jan Rolies geeft aan dat de evolutie naar ziekmakend werk alleen mogelijk is omdat zoveel personen een agressieve bedrijfscultuur hebben geïnternaliseerd.
Hij stelt dat veel mensen de idee aanvaarden dat ze alleen zingeving en betekenis kunnen vinden in een rol als werknemer die hard werkt en successen boekt. Het is een ‘ideologie die de geest in dienst van de prestatie en de winst stelt’, aldus Rolies. De perverse keerzijde van die meritocratische medaille is dat het mislopen of uitblijven van succes meteen aanvoelt als een individuele tekortkoming. Dat heeft een uitputtend en ziekmakend effect, wat vanaf die periode wordt aangeduid met het burn-outbegrip.
De ideologie waar Rollies naar verwijst heeft een naam, de neoliberale meritocratie. Vanaf 2010 merken we op dat de kernelementen daarvan ook andere levensdomeinen dan het werk binnensijpelen. De vermeende maakbaarheid van het eigen leven en de impliciete aansporingen om te presteren, dwingen mensen niet alleen een productieve werknemer te zijn, maar ook een perfecte partner, een goede ouder, vriend, hobbyist, vrijwilliger, collega, dochter, zus, enzovoort.
‘Het druk hebben’ wordt simultaan een statussymbool én een jammerklacht.
Aan sommige rollen valt niet te ontsnappen. Denk aan de zogenaamde sandwichgeneratie, oftewel late veertigers die een huis afbetalen, kinderen opvoeden, een carrière uitbouwen, en stilaan ook de zorg voor hun ouders moeten opnemen. Andere rollen worden dan weer gedreven door een gevoel van concurrentie en angst voor statusverlies. Wie aangeeft dat de hectiek van het leven alle energie opslorpt, geeft evenzeer te kennen een ambitieuze en participerende rol te spelen in de samenleving.
‘Het druk hebben’ wordt simultaan een statussymbool én een jammerklacht, en precies dat maakt het zo moeilijk om er niet in mee te lopen. Iedereen wil graag erkenning, maar voor velen blijkt het een uitputtende race zonder genoegdoening aan de finish. In het slechtste geval volgt de burn-out.
Zelfhulp
Wie een burn-out ondergaat, merkt vandaag een breed gamma aan persoonlijke hulpmiddelen op: mindfulness, yoga, wandeltherapie, persoonlijke therapeuten tot life coaches. Een voor de hand liggende verklaring daarvoor is de grotere aandacht voor de menselijke psyche, en de toegenomen bespreekbaarheid van mentale moeilijkheden. Maar die evolutie verstrengelde zich gaandeweg met een andere culturele ontwikkeling, een toegenomen vermarkting van sociale relaties.
De Franse filosoof Michel Foucault stelde vast dat sociale relaties vandaag niet langer georganiseerd worden rond de gemeenschap of op basis van sociale conformiteit. Wel moeten we individuen en zo uitgesproken mogelijk ‘onszelf’ zijn, en bovendien op een manier die overeenstemt met de kernwaarden van het neoliberalisme.
Die culturele aansporing komt met een nieuw ideaaltype burger. Iemand die investeert in zichzelf, aan ‘zelfbeheer’ doet en op die manier ‘concurrentieel’ kan zijn met anderen. Van het werk, over relaties, tot de eigen gezondheid. Altijd is het doel: het eigen geluk en succes maximaliseren, en risico’s oordeelkundig minimaliseren. Zo worden haast alle aspecten van het sociale leven ondermijnd door principes van individuele prestatie.
Het neoliberalisme dicteert dat we alle elementen van onze identiteit moeten beschouwen als aspecten die prestatiebevorderend kunnen zijn.
Het neoliberalisme dicteert hoe we moeten handelen, hoe we ons moeten gedragen en hoe we moeten denken over specifieke doelen. En vooral, het impliceert dat we nagenoeg alle elementen van onze identiteit moeten beschouwen als aspecten die prestatiebevorderend kunnen zijn. Niet enkel intellectuele capaciteiten en sociale bekwaamheden worden instrumenten, maar we moeten onszelf ook weerbaarder maken door in te zetten op ‘emotionele controle’, ‘emotionele competenties’, en ‘veerkracht’.
De echo’s hiervan ontwaren we in de talloze zelfhulpboeken en adviezen rond burn-out. De zelfhulpboodschap weerspiegelt haar maatschappelijke context. We dienen onszelf systematisch te beschouwen als de protagonist van ons eigen, afzonderlijke heldenverhaal. Een burn-out wordt de uitgelezen kans om onze manier van werken te herzien. Niet zozeer om minder te werken, dan wel om efficiënter en productiever aan de slag te gaan.
Een mentale opdoffer of emotionele uitputting moeten we herdefiniëren naar een te overwinnen obstakel op onze route richting succes. Sterker nog, we moeten het beschouwen als een zegen, aangezien we er zullen uitkomen met een krachtiger zelfbeeld en een betere manier van werken.
Deze boodschap ligt geheel in lijn met de kernwaarden van het neoliberale verhaal: individuele maakbaarheid, zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid. Maar laat nu net die eigentijdse nadruk op individualisme en prestaties aan de basis liggen van de mentale en emotionele uitputting die we vandaag burn-out noemen. Goedbedoeld als deze aanmaningen kunnen zijn, creëren ze een vicieuze cirkel.
Verlies van menselijkheid
Uit al het bovenstaande volgen twee belangrijke conclusies. Ten eerste zijn veerkracht en weerbaarheid weliswaar belangrijke elementen die de nodige cultivering verdienen, maar ze worden zelf ziekmakend wanneer de nadruk enkel en alleen op die aspecten ligt. Zo werkt het mens-zijn niet.
In plaats van onszelf als geatomiseerde individuen te beschouwen, gericht op individuele maakbaarheid en prestatie, moeten we erkennen dat we allen deel uitmaken van een verbonden netwerk. Het zou vanzelfsprekend moeten worden om volop in te zetten op warme, ondersteunende en koesterende omgevingen, en te beseffen dat we onderling afhankelijk zijn van elkaar om gezond en gelukkig door het leven te kunnen gaan.
Ten tweede dienen we nog meer aandacht te besteden aan de maatschappelijke oorzaken van burn-out, en aan het verband tussen de individuele psychische klachten en de maatschappelijke factoren die daarmee verband houden. Zeker wanneer die factoren zo nadrukkelijk worden aangewezen en met de klachten worden geassocieerd.
Er loopt namelijk een duidelijke en uitgesproken rode draad doorheen de geschiedenis van het burn-outconcept. Sinds de jaren zeventig drukt het concept de negatieve impact uit van een toenemend marktdenken en een daaraan gekoppeld verlies van sociale verbondenheid, niet zelden benoemd als een verlies van menselijkheid. Het is absoluut noodzakelijk om dit sterker te beklemtonen.

