Strategisch procederen ligt onder vuur. Vzw Dryade mocht dat al ondervinden. Toen de milieuvereniging een startsubsidie kreeg toegekend, bracht dat het Vlaams Parlement in rep en roer. Parlementsleden vonden de vzw ‘activistisch’ – op Twitter werd dat ‘extremistisch’ – omdat ze, met succes, naar de rechter trok tegen ethaankrakers en in nitraatzaken.
Toenmalig Vlaams minister van Omgeving Zuhal Demir (N-VA) hield het subsidiebesluit tegen. De Raad van State floot haar terug, maar dat was niet meer dan een overwinning op papier. De minister betaalde niet uit, haar opvolger Jo Brouns (cd&v) evenmin. Dat Dryade de financiële stromen gescheiden hield en niet met subsidies zou procederen, veranderde niets aan de standpunten of het discours: ministers subsidiëren geen vereniging om op te komen tegen hun beleid. Die uitleg werd al snel beleid.
Ministers subsidiëren toch geen vereniging om op te komen tegen hun beleid? Die uitleg werd al snel beleid.
De Dryade-saga toont dat deze overheid er niet van houdt om uitgedaagd te worden. In het Vlaams programmadecreet bij de begroting van 2026 werd een bepaling opgenomen (artikel 50) die geen enkele vereniging nog toelaat om, rechtstreeks of onrechtstreeks, met subsidies gerechtelijke procedures aan te spannen tegen de Vlaamse overheid.
Activisme wordt als extreem beschouwd en dat verantwoordt dat de toegang tot de rechter wordt beperkt, dat arresten niet worden uitgevoerd. Het geeft meteen aan hoe moeilijk strategisch procederen ligt. In het eindrapport van de Gemengde Commissie Vergunningen (30 september 2025) staat dat met zoveel woorden: de regering wil een halt toeroepen aan ‘de bestaande praktijk van zogenaamde ‘strategische procedures’ die het politiek beleid willen sturen’.
Macht uitdagen
Dat de overheid geen subsidies geeft aan wie tegen haar beleid opkomt, is minder vanzelfsprekend dan het klinkt. Dat macht wordt uitgedaagd maakt juist de kern uit van de democratische rechtsstaat. Het betekent dat de wetgever macht moet delen. Burgers, middenveld, media en rechters vullen hem aan, beperken hem, controleren hem.
Ngo’s zijn daarin cruciaal. Ze zorgen voor sociale cohesie en doen dienst als waakhond. Dat laatste doen ze op vele manieren. Door sociale dialoog, met input wanneer wetten en besluiten worden gemaakt. Door hun standpunten te delen, in opiniebijdragen en op sociale media. Door op straat te komen. En door strategisch procederen.
Procederen maakt altijd deel uit van een strategie. Elke partij vraagt zich af of het aangewezen is om naar de rechter te stappen, bij welke rechtbank en met welke argumenten. Strategisch procederen wijst op iets bijkomend: procederen is dan een middel om beleid te doen wijzigen. Om mensen bewust te maken van een maatschappelijk probleem, om druk te zetten voor hervormingen. Of om de wet af te dwingen, de contouren van wet en grondwet helder te trekken, en de regering tot de orde te roepen.
Strategisch procederen ligt niet voor de hand. De overheid ervaart het als een aanval, verzoekers steken hun nek uit, en ook rechters voelen zich niet op hun gemak. Toch kan strategisch procederen aangewezen zijn, of, meer nog, noodzakelijk zijn voor een democratische rechtsstaat. Volgens de Gemengde Commissie Vergunningen zet het ‘de representatieve democratie onaanvaardbaar onder druk’, omdat het tot een beleid wil aanzetten ‘waarvoor via de gebruikelijke democratische besluitvorming geen voldoende draagvlak is’.
Dat vooronderstelt dat het bestuur per definitie, en als enige, ‘maatschappelijk draagvlak’ vertaalt en daartoe niet aan hoger recht gebonden is. Ten onrechte.
Als de overheid wil leren
In een democratische rechtsstaat zijn wetgever, regering en bestuur gebonden aan de grondwet. Die grondwet is een moreel kompas. Ze legt waarden neer die we als samenleving delen: over vrijheid, gelijkheid, menselijke waardigheid en duurzaamheid. Voor onze regering vormen die waarden een baken en een weerhaak. Over wat ze concreet betekenen, beslissen we samen – niet één regering, één rechter, of een toevallige meerderheid.
Het politiek primaat betekent dat verkozen politici de eersten zijn om in te vullen wat die waarden betekenen in een concreet geval, in deze samenleving, op dit moment. Ze doen dat niet alleen. Wat ze beslissen, moet steeds een vertaling zijn van wat in de samenleving leeft. Ze krijgen daarvoor de hulp van burgers, het middenveld, de media, of van adviesraden.
Het politiek primaat betekent dat verkozen politici de eersten zijn om in te vullen wat onze grondwettelijke waarden betekenen in een concreet geval. Niet dat ze dat als enigen mogen doen.
Strategisch procederen komt pas aan de orde wanneer die sociale dialoog niet werkt, of wanneer er te veel vragen rijzen over wat waarden en grondrechten betekenen in een concreet geval. De grondwet gaat daarbij uit van een partnerschap waarin alle actoren elkaar respecteren – parlement en regering, rechter, burgers en middenveld. De rechter treedt terughoudend op. Maar wanneer hij een schending vaststelt, trekt de overheid daar lering uit.
Strategisch procederen is enkel nuttig als de overheid wil leren. Rechters kunnen de spelregels verhelderen, voor overheid én burgers. Ze kunnen de wetgever aanzetten om beter te doen wanneer die druk behoeft van buitenaf, omdat systemen vastgeroest zijn, of omdat de boodschap politiek moeilijk ligt. Het zorgde ervoor dat arbeiders een beter statuut kregen. Dat een vijfjarig Congolees meisje dat in België strandt niet meer twee maanden lang wordt opgesloten, omdat aan onbegeleide minderjarigen voortaan een voogd wordt toegewezen.
Verdeeldheid
Als handelingen van een regering of een bestuur een duidelijke wetsbepaling schenden, of de wet de grondwet manifest schendt, houden rechters dat tegen: de Belgische grondwet zelf verplicht hen daartoe (artikels 159, 160 en 142). Moeilijker wordt het wanneer waarden of grondrechten op het spel staan.
Wat houdt een ‘menswaardig leven’ precies in, zoals artikel 23 van de Grondwet formuleert? Hoever kan de vrijheid van meningsuiting gaan? Rechters zoeken legitimiteit om te formuleren waar de grenzen van de grondwet liggen. Juist daarom geven ze de overheid gelijk – tenzij de schending manifest is, het overheidshandelen onredelijk, of als die waarden en grondrechten in hun kern zijn aangetast. Rechters hebben meer ruimte om die grenzen uit te tekenen wanneer ze een grondwettelijk mandaat hebben, het vertrouwen genieten van overheid en burgers, en steunen op een politieke consensus of een maatschappelijk draagvlak.
Problematisch wordt het maar echt wanneer er verdeeldheid rijst tussen groepen in politiek en samenleving over die waarden zelf – over hun kern, over hoe essentieel ze zijn. Wanneer rechters, regeringspartijen en het publiek geen gemeenschappelijke basis meer hebben, en wanneer een belangrijk deel van de samenleving de grondwettelijke waarden zelfs verwerpt. Wanneer de samenleving zo gepolariseerd raakt dat wat de rechter ook beslist, zijn uitspraak niet aanvaard wordt.
Toch vertrouwen we juist dan op rechters om de democratische rechtsstaat overeind te houden. Omdat zij, steunend op principes die zijn uitgekristalliseerd in doctrine en rechtspraak, het mandaat hebben om de overheid met beide voeten in de grondwet te houden.
Rechtsstaat onder druk
Strategisch procederen is maar nuttig als twee voorwaarden zijn vervuld. Eerst moet je bij de rechter geraken. Iedereen die daarbij belang heeft, moet zonder veel obstakels toegang krijgen. Strategisch procederen ligt meer voor de hand wanneer verenigingen kunnen optreden, zodat individuen hun nek niet hoeven uitsteken, en wanneer ze wetten en besluiten kunnen aanvechten nog voor die worden toegepast.
Wet en grondwet laten dat toe. Verenigingen kunnen optreden in een collectief belang. Elke belanghebbende kan wetten aanvechten bij het Grondwettelijk Hof, en besluiten bij de Raad van State of andere administratie rechtscolleges, zodra ze zijn bekendgemaakt. Ten tweede moet iedereen spelen volgens de regels van de rechtsstaat. Dat betekent dat procedures niet te lang duren. Dat rechters onpartijdig en onafhankelijk zijn, en dat ze ruimte hebben om te oordelen. En, tot slot, dat eens het oordeel geveld, de overheid dat oordeel naleeft.
De toegang tot de rechter wordt bemoeilijkt. Plannen worden heropgevist die maken dat enkel wie vooraf bezwaar maakte, nadien nog een vergunning mag aanvechten, al is dat strijdig met de grondwet.
Recente rapporten van het FIRM (Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens) en van Socius tonen dat verenigingen die het beleid niet ondersteunen, uit het besluitvormingsproces worden geweerd. Wie uit de politieke dialoog wordt geweerd, kan in dat lot berusten of kan de confrontatie opzoeken – via de straat of bij de rechtbank. Als de overheid zich niet aan de regels houdt, ligt dat laatste voor de hand.
Tegelijk wordt strategisch procederen moeilijk, net wanneer dit het meest nodig is. Wanneer de gedachte gemeengoed wordt dat verkiezingen leiden tot ongebonden beleid en dat het politiek primaat volstaat om rechten met de voeten te treden, zelfs tegen de grondwet in, dan komt strategisch procederen eveneens in een slecht daglicht te staan. We zien dan ook dat beide noodzakelijke voorwaarden voor strategisch procederen vandaag bedreigd worden.
De toegang tot de rechter wordt bemoeilijkt. Plannen worden heropgevist die maken dat enkel wie vooraf bezwaar maakte, nadien nog een vergunning mag aanvechten. Dat is strijdig met de grondwet, oordeelde het Grondwettelijk Hof tot twee keer toe, maar dat lijkt weinig indruk te maken.
Daarenboven worden financiële obstakels opgeworpen. De kosten om te procederen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moeten hoger, stelt het federaal regeerakkoord. Het voorstel ligt voor om verenigingen enkel toe te laten vergunningen aan te vechten voor een ‘territoriaal beperkt statutair doel’ en met subsidies mag je dus geen Vlaams beleid meer aanvechten. Dat geldt ook voor zorg- en onderwijsinstellingen, die volledig werken op publieke middelen, zodat die zelfs niet meer naar de rechter kunnen om aan te vechten dat ze niet meer naar de rechter kunnen.
Het beruchte artikel 23
Maar ook de werking van de rechtsstaat staan onder druk. Procedures duren onredelijk lang. Dat is een structureel probleem, een deuk in onze rechtsstaat, keer op keer aangeklaagd in rapporten van het FIRM en zelfs de Europese Commissie. Dat ligt niet alleen aan de rechters, maar aan een structurele onderfinanciering van justitie, die zorgt voor te weinig rechters, onderkomen gebouwen, en een verlies aan vertrouwen.2
De federale regering wil de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderbrengen bij de dienst Migratie en geeft de administratie controle over de werking van de Raad. Rechters in de raad wil de regering niet meer voor het leven benoemen, zodat ze elke vijf jaar goedkeuring behoeven. Dat bedreigt de onafhankelijkheid van de rechters.
De overheid leeft de rechterlijke arresten niet na. Meer dan tienduizend arresten zijn het intussen, tot in Straatsburg toe, die de Belgische Staat veroordelen omdat ze asielzoekers op straat duwt.
Rechters krijgen steeds minder ruimte om te oordelen. Wanneer het over vergunningen gaat, formuleert het Vlaams regeerakkoord dat principe als het ‘definiëren van marginaal toetsingsrecht’. Er wordt verdeeldheid gezaaid over wat grondrechten betekenen, voor wie ze gelden en voor wie niet. Sommige politici stellen rechters systematisch voor als politiek en activistisch. Ook wanneer ze zwart op wit de wet toepassen of als de feiten die verwijten niet ondersteunen.
Zo wordt er mist gespuid over de rechterlijke toetsing aan sociaaleconomische grondrechten – het stilaan beruchte artikel 23 van de grondwet met zijn standstill-beginsel, dat inhoudt dat de grondwettelijke rechten met oog op een ‘menswaardig leven’ niet noemenswaardig verminderd mogen worden zonder noodzaak van algemeen belang – net wanneer het Grondwettelijk Hof gevraagd wordt om hervormingen aan dat artikel te toetsen.
Ten slotte leeft de overheid de rechterlijke arresten niet na. Meer dan tienduizend arresten zijn het intussen, tot in Straatsburg toe, die de Belgische Staat veroordelen omdat ze asielzoekers op straat duwt, hele gezinnen nu al, met kinderen erbij, of omdat geïnterneerden niet verzorgd worden en in mensonwaardige omstandigheden worden opgesloten. Dwangsommen worden niet betaald. Een arrest dat klimaatdoelstellingen oplegt, wordt zinloos genoemd en genegeerd. En – we begonnen ermee – als de Raad van State de minister opdraagt om een subsidie uit te betalen, wordt daaraan geen gevolg gegeven.
Het is een houding die doorsijpelt naar alle bestuursniveaus. Voor de provincie Antwerpen is een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen kennelijk een ‘standpunt’, een vrijblijvend advies dat ze vervolgens zomaar naast zich neer zou leggen.
Trojaans paard
Dit is het tijdperk van een mis begrepen politiek primaat. Het wordt verpakt als een verhaal van de democratie tegen de rechtsstaat. Enkel de wetgever zou de wil van het volk weergeven, en dat zouden activistische rechters onmogelijk maken. Dus moeten we de democratie ‘herstellen’ door de rechtsstaat uit te schakelen. Stap voor stap schuift het regeringsbeleid de samenleving opzij.
Het huidige discours is een Trojaans paard, met mooie woorden die worden ingezet om precies hun tegendeel te bereiken. In dat discours is activisme voor verenigingen een scheldwoord. Dat rechtvaardigt een beleid dat steeds minder ruimte laat aan het middenveld. De ingeperkte rechterlijke macht is ook voor het middenveld een probleem. Wanneer de grondwet zelf onder vuur staat en fundamentele waarden ons verdelen, verliest het middenveld houvast en wapens om zich staande te houden.
Drie aanbevelingen kunnen helpen om de afbrokkeling tegen te gaan. De eerste luidt: houd het debat levend. Strategisch procederen staat niet op zichzelf. Iets aankaarten om mensen bewust te maken en het beleid tot de orde te roepen, gebeurt op verschillende manieren tegelijk. Dat creëert tegelijk ruimte voor de rechter. Rechters kunnen eerder ingaan tegen een overheid die duwt en trekt aan de grenzen van de grondwet als het democratisch mandaat van die overheid wankel is.
Rechters kunnen eerder ingaan tegen een overheid die duwt en trekt aan de grenzen van de grondwet als het democratisch mandaat van die overheid wankel is.
Het Grondwettelijk Hof gaat op een andere manier te werk wanneer het oordeelt over een wet die controversieel is en druk besproken werd in de media, toont onderzoek aan. Het zal zo’n wet bespreken met meer rechters, tien of twaalf in plaats van zeven, uitgebreider motiveren, meer verwijzen naar andere bronnen, en aansluiting zoeken bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat maakt het sterker om vast te houden aan de rode lijnen van democratie en rechtsstaat.
Tegelijk oordeelt het Hof in zo’n gevallen voorzichtiger. Het stelt een schending vast met inhoudelijk voorbehoud of modulering in de tijd, om de politieke dialoog open te houden. Dat laatste is niet erg. Strategisch procederen heeft juist als doel om de politieke dialoog weer open te trekken.
Publieke verontwaardiging is nodig
De tweede aanbeveling is: werk samen. Als verschillende groepen naar de rechter trekken, individuen en verenigingen, met verschillende belangen, dan zien rechters dat dit niet louter een zaak is van één individu tegen het overheidsbelang. Ook dan, aldus hetzelfde onderzoek, zal het Hof al sneller met meer rechters oordelen, uitgebreider motiveren, en meer aansluiting zoeken bij het Europees Hof. Samenwerken helpt bovendien om de kosten van strategisch procederen te verdelen.
De laatste aanbeveling is veeleer een oproep. Kom op voor de grondwet. Een regering die de grondwet met de voeten treedt, arresten niet uitvoert en dwangsommen niet betaalt, wekt nauwelijks publieke verontwaardiging. Die onverschilligheid is gevaarlijk, ze baant de weg naar een autoritair regime. Hoe minder we aanvaarden dat de regering zich onttrekt aan de grondwet en de grondrechten, des te meer ruimte we geven aan rechters om daartegen op te treden. Zo tonen we dat het moreel kompas dat onze grondwet is, nog steeds door ons gedragen wordt.

