‘Controversieel Amerikaans techbedrijf Palantir landt in België’, kopte De Tijd een maand geleden. Palantir produceert software die veelvuldig gebruikt wordt door Westerse overheden, inlichtingendiensten en militaire organisaties om grote hoeveelheden data samen te brengen en te analyseren, onder andere door middel van artificiële intelligentie (AI). Het Amerikaanse leger maakte gebruik van de software bij de recente aanvallen op Iran en Venezuela.
Wat tot nu toe grotendeels onderbelicht blijft, is de toenemende invloed van de technologiebedrijven die AI-producten aanleveren.
Enkele weken eerder lazen we in een andere Vlaamse krant dat AI-bedrijf Anthropic, de ontwikkelaar van het AI-taalmodel Claude, ‘de hakken in het zand zet voor gebruik AI-technologie door Amerikaans leger’. Anthropic heeft langlopende contracten met het Amerikaanse ministerie van Defensie (inmiddels het Department of War genoemd), én met Palantir – onder andere om Claude te integreren in diens software.
Maar tijdens nieuwe contractonderhandelingen uitte Anthropic enkele bedenkingen bij het verdere gebruik van hun taalmodel door het Pentagon. Zo weigerde Anthropic het Pentagon toestemming te verlenen om Claude te gebruiken bij massasurveillance van de Amerikaanse bevolking en bij de ontwikkeling van volledig autonome wapensystemen. Als reactie werd Anthropic prompt aangemerkt als risicovolle militaire toeleverancier, waarmee het ministerie van Defensie niet meer zal samenwerken.
Dat artificiële intelligentie een steeds belangrijke rol opneemt bij oorlogsvoering hoeft niet meer te verbazen. Maar wat tot nu toe grotendeels onderbelicht bleef is de toenemende invloed van de technologiebedrijven die deze producten aanleveren.
Data-gedreven oorlogsvoering moet landen in staat stellen sneller, preciezer en efficiënter conflicten uit te vechten – al tonen de verwoestende oorlogen in Gaza, Libanon, Iran en Oekraïne een heel andere realiteit.
Een steeds groter wordende mix van Big Tech, ervaren softwarebedrijven en opkomende tech-start-ups gefinancierd door durfkapitaal zorgt ervoor dat militaire organisaties en overheden enorme hoeveelheden aan data schrapen van allerlei databases, opslaan in servers en ‘de cloud’, en analyseren in digitale platformen door middel van algoritmes en bigdata-analysetechnieken. Data-gedreven oorlogsvoering moet landen in staat stellen sneller, preciezer en efficiënter conflicten uit te vechten – al tonen de verwoestende oorlogen in Gaza, Libanon, Iran en Oekraïne een heel andere realiteit.
De (voornamelijk) Amerikaanse bedrijven die deze evolutie naar data-gedreven oorlogsvoering ondersteunen doen gouden zaken. Aangezien steeds meer Europese landen de oceaan over turen om hun militaire capaciteiten te versterken met digitale infrastructuur en knowhow is het belangrijk om stil te staan bij de architecten van deze ontwikkeling. Welke centrale bedrijven, CEO’s en durfinvesteerders stuwen de digitalisering van oorlogsvoering naar nieuwe hoogtes?
Wie de oorlogsmiddelen van de toekomst ontwikkelt
De conflicten die vandaag worden uitgevochten, tonen dat hedendaagse oorlogsvoering steunt op een uitgebreid ecosysteem van hardware, software en digitale infrastructuur. In de toekomst zal de rol van het digitale domein alleen maar toenemen. Dat heeft een belangrijke weerslag: de digitale oorlogsmiddelen blijven grotendeels in private handen.
Dat betekent dat overheden de digitale platformen, algoritmes en servers die data-gedreven oorlog mogelijk maken huren van private actoren die voornamelijk door commerciële belangen worden gedreven. In die zin spreken onderzoekers steeds meer over oorlog als een vorm van digitale dienstverlening.
Voor zijn politieke carrière van start ging, kreeg huidig vicepresident van de Verenigde Staten J.D. Vance de knepen van het durfkapitalisten-vak aangeleerd door Peter Thiel.
Hét bedrijf dat deze evolutie bij uitstek typeert is het net in België gelande Palantir. Palantir werd opgericht in 2003 door, onder andere, Peter Thiel en Alex Karp. Thiel verdiende enkele jaren eerder een fortuin met de verkoop van zijn online betalingsbedrijf PayPal en is ondertussen uitgegroeid tot een van de meest invloedrijke figuren in Silicon Valley door zijn almachtige investeringsfondsen.
Hij heeft bovendien een rechtstreekse lijn met de Trump-regering: voor zijn politieke carrière van start ging, kreeg J.D. Vance – huidig vicepresident van de Verenigde Staten – immers de knepen van het durfkapitalisten-vak aangeleerd door Thiel. Sinds de oprichting wordt Palantir geleid door CEO Alex Karp, een excentriekeling die tegen investeerders opschept over hoe Palantirs producten worden ingezet om de vijanden van ‘het Westen’ te doden.
Palantir zou bijvoorbeeld een belangrijke rol hebben gespeeld bij het opsporen en uitschakelen van Osama Bin Laden. Het bedrijf verkreeg namelijk startkapitaal via de investeringsarm van de CIA, de Amerikaanse inlichtingendienst, en werkte tijdens de War on Terror nauw samen met de Amerikaanse overheid om de steeds groter wordende hoop aan data te visualiseren en te analyseren.
De software die Palantir ontwikkelt kan informatie uit verschillende databases samenbrengen in een overzichtelijk digitaal platform waarmee de operator door middel van geavanceerde AI-technieken ook diepgaande analyses kan uitvoeren. Die databronnen zijn erg divers: het gaat over beelden die worden verzameld door satelliet- of dronebeelden, data gegenereerd door sensors, maar ook over informatie van sociale media en private berichtenapps.
Project Maven
Sinds 2019 werkt het bedrijf aan Project Maven, een grootschalig maar behoorlijk geheimzinnig overheidsproject dat AI-technologie naar de Amerikaanse krijgsmachten moet brengen. Het nam die rol over van Google, dat zich onder druk van zijn werknemers terugtrok uit het project in 2018. Maven Smart System, het digitale besturingsplatform dat uit Project Maven is gekomen, is nu dus een cruciaal onderdeel van het besluitvormingsproces in het Pentagon geworden, en werd ook aangekocht door de NAVO in 2025.
Ondertussen hebben heel wat tech-bedrijven hun schroom voor samenwerkingen met militaire organisaties laten varen. Google, Amazon en Microsoft hebben bijvoorbeeld contracten met het Amerikaanse ministerie van Defensie om data in hun cloudruimtes op te slaan en zo surveillance, cyberoperaties en gevechtsoperaties mee mogelijk te maken.
Voor Oekraïne en Israël zijn deze cloud-aanbieders belangrijk – wat er bijvoorbeeld toe heeft geleid dat Iran enkele servers van Amazon Web Services in de golfstaten viseert, omdat het Israëlische leger die gebruikt bij militaire operaties.
Tegelijkertijd staan grote AI-bedrijven zoals OpenAI, xAI, Meta en Anthropic enthousiast in de rij om grote defensiecontracten binnen te rijven. ChatGPT, Grok, LLama en Claude, de respectievelijke AI-taalmodellen van deze bedrijven, worden op grote schaal geïntegreerd in het Amerikaanse overheidsapparaat en het Pentagon. Na de breuk tussen Anthropic en het Pentagon bood Sam Altman bijvoorbeeld meteen de diensten van OpenAI aan ter vervanging, zonder expliciete beperkingen op het gebruik van diens producten.
De moraal van het durfkapitaal
Nieuwere softwarebedrijven en start-ups verzilveren eveneens heel wat defensiecontracten. Anduril, een in 2017 opgerichte start-up, produceert wapensystemen zoals drones en onbemande vliegtuigen die in toenemende mate kunnen handelen – navigeren, doelwitten identificeren, aanvallen – door middel van AI-technieken zoals computervisie en machine learning.
Het centrale product van Anduril is echter software: het bedrijf heeft een eigen AI-gedreven besturingsplatform ontwikkeld waarmee gebruikers de verschillende (half-)autonome systemen van Anduril kunnen aansturen en controleren. Via de verkoop van militaire hardware brengt het bedrijf dus ook zijn software aan bij potentiële klanten – software waarvan, eenmaal geïntegreerd als centrale besluitvormingsplatform, moeilijk opnieuw los te koppelen valt.
Naast Anduril zijn er nog enkele gelijkaardige bedrijven die dezelfde strategie hanteren, zoals het Amerikaanse Shield AI en het Duitse Helsing of Quantum Systems. Ze blijken erg succesvol: Anduril werd recent geselecteerd als leverancier voor de besturingssoftware van een digitaal platform om drone-dreigingen op het Amerikaanse vasteland tegen te gaan. Het zou gaan om een bijzonder lucratief contract ter waarde van in totaal 20 miljard dollar.
In navolging van deze ‘trendsetters’ (en het grote geld) ontspruiten er momenteel heel wat Amerikaanse en Europese start-ups die een specifiek product ontwikkelen dat – volgens hen – noodzakelijk is voor hedendaagse oorlogsvoering, zoals AI-gestuurde munitie, counter-drones of surveillance- software. Veel van die start-ups worden in eerste instantie gefinancierd door miljoenen aan durfkapitaal. Ook private investeerders spelen dus een steeds belangrijkere rol bij de ontwikkeling van digitale oorlogsmiddelen.
Amerikaanse durfkapitalisten zoals Peter Thiel, Marc Andreessen en David Sacks vergaarden miljarden in Silicon Valley tijdens de dot-com-boom in de late jaren negentig, overleefden de barst van de bubbel enkele jaren later, en investeerden nadien in de juiste bedrijven (op basis van geluk of kunde is een kwestie van perspectief) om zo steeds rijker te worden. Ze bezitten nu kapitaalbedrijven met portefeuilles die het bbp van heel wat landen overstijgen en beslissen daardoor mee over welke spelers en producten het maken in de defensiewereld en welke niet.
Daarmee sijpelt de logica van durfinvesteringen door naar de defensiesector. Daarbij is het doel om de traditionele markt te verstoren met hoogtechnologische en innovatieve producten, klanten te overtuigen van de noodzaak van deze nieuwe producten, en zo een dominante of monopolistische positie te verzekeren in een nieuw gecreëerde markt – zoals we nu zien in de hype over de militaire toepassingen van artificiële intelligentie.
Palmer Luckey
Dat is precies hoe de oprichter van defensietechnologiebedrijf Anduril, Palmer Luckey, het recent verwoorde in een interview met het Amerikaanse Bloomberg. Wanneer de journalist vraagt of hij ‘producten ontwikkelt waarvan de overheid nog niet weet dat ze die nodig heeft’, antwoordt hij dat dat ‘erg vaak’ het geval is. Anduril bouwt ‘dingen die afgeschreven zijn of als onmogelijk worden beschouwd’ en waarvan er ‘geen consensus is dat ze de juiste oplossingen voor het probleem vormen’. S
nelheid van innovatie en verstoring van de logge en achtergestelde defensiemarkt staan centraal in het verhaal van de nieuwe digitale wapenmakers.
Alleen Amerikaanse dominantie, brute macht, kan de vrijheid en het democratische bestel van het Westen verzekeren, aldus het wereldbeeld van de tech-krijgsheren.
Sommige Amerikaanse bedrijfsleiders en durfkapitalisten stellen technologie telkens voor als de zilveren kogel die de problemen waarmee het Westen kampt – qua defensie maar ook voor migratie, economische groei of welvaart – zal oplossen. Die simplistische toekomstvisie past perfect in het ideologisch gekleurde wereldbeeld dat heel wat van deze invloedrijke individuen – Karp, Luckey, Thiel, Andreessen, Sacks – delen en op basis waarvan ze hun bedrijven en investeringen vormgeven.
Fundamenteel aan dat wereldbeeld is de diepgewortelde overtuiging dat de Amerikaanse manier van leven superieur is en dat Amerikaanse dominantie koste wat kost moet worden bewaard. Bedrijfsleiders zoals Palmer Luckey en Alex Karp grijpen elke kans om te benadrukken dat die superioriteit door allerlei partijen bedreigd wordt – voornamelijk door China. Tijdens publieke optredens verspreiden ze een narratief waarin de ondergang van het Westen steeds om de hoek loert doordat de Verenigde Staten op technologisch, militair en economisch vlak achterlopen op hun tegenstanders. Hoewel de realiteit anders toont, stellen ze de concurrentie met China voor als een existentiële strijd voor het behoud van de Amerikaanse wereldmacht.
Want, zo schrijft het wereldbeeld van de tech-krijgsheren voor, het is alleen die dominantie, die brute macht, die de vrijheid en het democratische bestel van het Westen kan verzekeren. Internationale politiek wordt voorgesteld als een extreme zero-sum game: zonder Amerikaanse dominantie zal het Westen onderdrukt worden door haar vijanden. Dat trekken ze door naar hun eigen land.
Voor minderheden, migranten of politieke tegenstanders die respect voor mensenrechten bepleiten, is er weinig ruimte – zeker niet als die in de weg dreigen te staan van innovatie of technologische vooruitgang. Eigenlijk is de redenering eenvoudig: onderdrukken of onderdrukt worden, samenwerking is naïef.
Steen der Wijzen
Alex Karp dreigde er ooit mee om kritische beursanalisten met een drone te ‘besproeien met een mengsel van urine en fentanyl’. Palmer Luckey stoefte tijdens een sofagesprek met een Amerikaanse rector in 2024 over zijn enthousiasme om anderen geweld aan te doen ‘in nastreving van nobele doelen’.
Peter Thiel, geldschieter van onder andere Palantir en Anduril, vergeleek in een interview met de New York Times vorig jaar activisten die pleiten om artificiële intelligentie te reguleren met de antichrist. Marc Andreessen, eveneens een invloedrijke investeerder in veel van deze bedrijven, publiceerde in 2023 zijn Techno-Optimist Manifesto. Daarin omschrijft hij artificiële intelligentie als ‘onze alchemie, onze Steen der Wijzen’, en duidt hij iedereen die technologische vooruitgang en innovatie wil reguleren aan als letterlijke ‘vijand’.
Peter Thiel vergelijkt activisten die pleiten om artificiële intelligentie te reguleren met de antichrist.
Helaas kunnen we zulke uitspraken niet wegwuiven als ondoordachte uitschuivers of geroep vanuit de marge. Deze individuen behoren tot de meest invloedrijke elites van de Amerikaanse maatschappij. Ze doen het met hun bedrijven uitstekend op de internationale markten en hebben daardoor heel wat volgers die hen op bijna cultische wijze verafgoden. Ze duiken veelvuldig op in rechts-conservatieve podcasts en ook op sociale media zijn ze erg actief én populair. Daarnaast onderhouden ze uitstekende contacten met beleidsmakers in de Trump-regering.
Het narratief waarin het Westen wordt afgeremd door technologie-sceptici en onder de voet dreigt te worden gelopen door ‘vijanden’ zoals China, reikt zo makkelijk tot in de hoogste echelons van de macht én tot bij de publieke opinie. Precies die constante ‘dreiging’ maakt deze bedrijven vandaag zo machtig maakt. Ze hebben de doorzichtige claim geïnstitutionaliseerd dat investeren in hun technologie, militaire toepassingen van artificiële intelligentie, een barre toekomst zal vermijden.
De Amerikaanse overheid is er alvast van overtuigd dat door de aankoop van de producten van Palantir, Anduril en consoorten een tegenstander als China wel twee keer zal nadenken vooraleer iets te ondernemen. Of, als het toch tot oorlog komt, dat de technologie voor een klinkende Amerikaanse overwinning zal zorgen.
Ook in Europa dreigt de publieke opinie daarin mee te gaan, onder meer omdat politici zich regelmatig lovend uitspreken over dit soort bedrijven. Als democratische maatschappij moeten we daar erg mee opletten. Willen we werkelijk actoren zoals Palantir lucratieve partnerschappen of contracten aanbieden, waarbij ze toegang krijgen tot onze meest gevoelige data en infrastructuur? De lokroep van dominantie en superioriteit is ook hier niet veraf. Laten we geen zaken doen met bedrijven die dat wereldbeeld als fundamentele salespitch hanteren.

