Wanneer ik over vrouwenrechten praat, hoor ik vaak dat we toch al ver gekomen zijn. Is het nog wel nodig om feministisch te zijn? Bedenk dat vrouwen pas in 1948 voor het eerst mochten stemmen, dan zijn we inderdaad al flink gevorderd.
‘De patriarchale maatschappij dwingt vrouwen ekonomiese zekerheid bij mannen te zoeken waardoor zij in een betrekkelijk machteloze positie tegenover mannen worden gedwongen’, stelde het Internationale Vrouwentribunaal in 1976.
Vijftig jaar later is dat mechanisme niet verdwenen, het werkt hoogstens subtieler. Vrouwen bouwen gemiddeld minder pensioen op, zijn misschien niet altijd meer financieel afhankelijk van een man, maar des te vaker van de overheid. Zeker alleenstaanden en vrouwen in armoede. Ze verdienen minder en bij scheidingen zijn ze nog steeds financieel het kwetsbaarst.
We staan verder, maar we zijn er niet. Niet zolang 90 procent van de vrouwen straatintimidatie ervaart.
Vandaag wordt in België om de twee weken een vrouw vermoord door haar (ex-)partner. Wereldwijd gaat het om 48.800 vrouwen per jaar,
vijf per uur. De centra voor seksueel geweld zijn een belangrijke stap vooruit, maar het dark number blijft immens. Vaak wordt immers geen aangifte gedaan van gendergerelateerd geweld. Zolang slachtoffers moeten bewijzen dat hun angst geen overgevoeligheid is, blijft de kloof tussen wet en werkelijkheid groot, ook met het gemoderniseerde strafrecht.
We staan verder, maar we zijn er niet. Niet zolang 90 procent van de vrouwen straatintimidatie ervaart. Niet zolang stalking een structureel probleem blijft. Niet zolang ‘humor’ op café een oefenterrein voor minachting is. Niet zolang meisjes opgroeien in een wereld die hen reduceert tot lichaam. Niet zolang Andrew Tate’s op sociale media de hoofden van jonge jongens verzieken met vrouwenhaat.
Eroderen
‘Het is belangrijk te laten zien dat de onderdrukking van vrouwen overal hetzelfde is, dat alleen de mate van onderdrukking verschilt’, klonk het nog op het vrouwentribunaal. Een zwarte vrouw uit Zuid-Afrika zat voor het eerst met witte vrouwen aan één tafel. Feministen uit fascistische landen hadden elkaar tot dan toe alleen in het geheim ontmoet. Vrouwen voor wie homoseksualiteit strafbaar was, durfden niet naar het tribunaal komen en stuurden een briefje.
Vandaag riskeren vrouwen in Iran hun leven voor een lok haar, ondergaan vrouwen in Congo seksueel geweld als oorlogswapen, leven vrouwen in Gaza in omstandigheden die elke vorm van veiligheid onmogelijk maken. ‘Vrouwen uit de Derde Wereld hebben een dubbele last te dragen, en vaak een driedubbele’, benoemde het tribunaal al. We zijn hier misschien al aanzienlijk verder, maar elders niet.
Bovendien zijn onze vrouwenrechten fragiel. In de Verenigde Staten werd het grondwettelijk arrest dat een nationaal recht op abortus garandeerde, Roe v. Wade, teruggedraaid. Ook in Europa groeit de anti-abortusbeweging. Het debat wordt harder, vaak meer gebaseerd op emotie dan op wetenschap.
Rechten verdwijnen niet plots. Ze eroderen langzaam. Dat gebeurt wanneer vrouwen zeggen: ‘Ik ben niet feministisch omdat het niet meer nodig is.’ Wanneer we alles zomaar ‘te woke’ vinden. Wanneer radicale vrouwonvriendelijke mannen onze digitale wereld, onze wereldeconomie en wereldpolitiek in handen hebben. Wanneer we niet meer luisteren naar slachtoffers en hen wegzetten als ‘te emotioneel’ of ‘hysterisch’.
Het drama zit niet in de vrouw, maar in de ongelijkheid die doorleeft.

