Activisme is noch de havermelkelite die haar imago wil oppoetsen, noch een gratuite uitlaatklep voor frustraties, resulterend in acties die hun doel (soms letterlijk) voorbijschieten. Wat is het dan wel en wanneer werkt het?
Even terugspoelen, wie herinnert zich de kerstspeech van Koning Filip van 2024 nog? ‘Hopen is niet passief wachten op een betere toekomst’, zei de vorst, ‘maar zich engageren voor een meer rechtvaardige en respectvolle wereld waarin niet de wet van de sterkste overheerst.’ Hij reageerde in zijn speech op de brief van een groep kinderen, die zich zorgen maakten over kinderen zoals zij in Gaza, door de wereld in de steek gelaten.
De Vlaamse en federale regering maken activisme verdacht.
Wie zich onze koning voor de geest roept, ziet misschien niet meteen een activist voor zich – en omgekeerd. Toch capteerde hij, bedoeld of onbedoeld, de kern van waar activisme voor staat. Activisme is elke handeling die onrecht aankaart en oproept tot of bijdraagt aan verandering richting een ‘betere wereld’.
‘Veel spelers in het middenveld geven daarin het voorbeeld: onvermoeibaar zetten ze zich in’, vervolgde hij. ‘Ik wil hen daarvoor hartelijk bedanken en hen aanmoedigen om door te zetten.’ Hij rekende op de toen nog te vormen regeringen om het goede voorbeeld te geven.
Activismeverbod
We zijn nu een jaar en enkele overheidsbeslissingen later. Het kritische middenveld werd vriendelijk bedankt en afgedankt. Activisme werd verdacht gemaakt. Zie op Vlaams niveau: het verbod op procederen tegen de overheid met middelen uit subsidies; het stopzetten, verminderen of niet verhogen van subsidies voor ‘activistische’ organisaties ondanks positieve evaluaties; het ondertussen plannen beramen om het decreet sociaal-cultureel werk in die zin aan te passen, alsook om een Vlaams actieplan over radicalisering uit te rollen.
Op federaal niveau loert de wet-Quintin om de hoek, die het mogelijk zou maken om organisaties, inclusief feitelijke verenigingen, te ontbinden op vermoedens van radicalisering of extremisme zonder tussenkomst van een rechter – en dus zonder recht op verdediging. Dat zou in de praktijk zo ver kunnen gaan als het verbod op bepaalde activiteiten, symbolen of slogans, denk maar aan ‘Antifa’.
De wet-Quintin zou het mogelijk maken om organisaties, inclusief feitelijke verenigingen, te ontbinden op vermoedens van radicalisering of extremisme zonder tussenkomst van een rechter.
Kortom, niet alleen de kerstwensen van de koning staan onder druk, maar ook het recht op protest, de civiele ruimte en daarmee onze democratische rechtsstaat. Dat is niet mijn mening, maar blijkt onder andere uit de rapporten van het FIRM (Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens) en Amnesty International.
Zo glijden we af van een systeem met checks and balances naar een systeem met een blanco cheque voor de regering, die verder geen strobreed in de weg wil worden gelegd. Ngo-adviseur Koen Van Overmeiren beschreef het onlangs als een ‘sluipende normalisering: een beetje uitstel hier, een technische schrapping daar en vervolgens een framing die ngo’s wegzet als subsidieslurpers, als inefficiënt of wereldvreemd’. ‘Dat is niet alleen karikaturaal. Het is gevaarlijk’, schreef hij in De Standaard.
Die framing en de normalisering van een repressief overheidsoptreden is gevaarlijk. Het dient ter legitimatie van een inperking van het speelveld voor iedereen die onze democratie levend houdt: sociaal-culturele organisaties, kunstenaars, leerkrachten, jeugdwerkers, academici en activisten. In dit stuk gaat het voornamelijk om die laatste groep, maar eigenlijk ook om al die anderen.
Activisme is geen misdaad
Hierboven omschreef ik activisme à la Filip al als ‘elke handeling die onrecht aankaart, en oproept tot of bijdraagt aan verandering richting een betere wereld'. Daar wil ik nog een machtselement aan toevoegen: onder activisme verstaan we meestal iets dat plaatsvindt buiten dominante machtsinstituties, zoals de staat maar ook bedrijven of massamedia, en die uitdaagt. Vandaar de afkeer van die instituten voor activisme. ‘Activistisch’ lijkt wel het nieuwe ‘vieze woord’, na pakweg ‘feministisch’ of ‘woke’.
We zagen het al gebeuren in de frase van ‘activistische rechters’ en nu wordt het ‘activistische middenveld’ in een adem weggezet als extremistisch en gewelddadig. Dat doet de vraag rijzen: hoe verschilt activisme van extremisme en terrorisme? Ligt het verschil in het doel, de middelen, of in de overtuiging dat het doel de middelen heiligt?
‘Activistisch’ lijkt wel het nieuwe ‘vieze woord’, na pakweg ‘feministisch’ of ‘woke’.
In artikel 2 van het decreet preventie gewelddadige radicalisering, extremisme, terrorisme en schadelijke polarisatie, omschrijft de Vlaamse overheid extremisme als ‘racistische, xenofobe, anarchistische, autoritaire of totalitaire opvattingen of bedoelingen die theoretisch of in de praktijk strijdig zijn met de democratie, de democratische instellingen, mensenrechten of andere grondslagen van de rechtstaat’. Wanneer een opvatting al dan niet strijdig is met de grondslagen van de rechtsstaat, komt de lezer niet te weten.
Alles hangt af van hoe ruim je dit artikel interpreteert. How convenient.
Datzelfde artikel definieert terrorisme als ‘het gebruik van geweld tegen personen of materiële belangen om ideologische of politieke redenen, met als doel bepaalde doelstellingen met terreur, intimidatie of bedreigingen te bereiken’. Het middel – terreur, intimidatie of bedreigingen – is dus meteen ook een deel van het doel.
Uit bovenstaande leid ik af dat activisme elke handeling is die onrecht aankaart, en oproept tot of bijdraagt aan verandering richting een betere wereld, zonder daarbij strijdig te zijn met de grondslagen van de rechtsstaat en zonder de inzet van geweld met terreur, intimidatie of bedreigingen als doel.
Luigi Mangione
Wie herinnert zich Luigi Mangione, de jonge man die verdacht is van de moord op de CEO van Amerikaans ziekteverzekeraar UnitedHealthcare? Voor sommigen een terrorist, voor anderen misschien wel de persoon van 2025. Aan de ene kant gewelddadig geradicaliseerd, aan de andere kant steelt hij met zijn knappe kop de show op sociale media, waar in no time een memes-makende fanbase ontstond rond zijn persona.
Terwijl performatief activisme en extremisme/terrorisme op het eerste gezicht aan de tegenovergestelde uiteinden van het spectrum liggen, is Luigi de verpersoonlijking van een mix van beiden. Voor wie er wat langer bij stilstaat, is dat zo gek nog niet. Performatief activisme draait meer om persoonlijke présence dan om het bekomen van duurzame verandering. Het blijft steken in symboliek en raakt niet tot de kern van de zaak.
Denk aan Pride-marsen die volledig gecommercialiseerd zijn, of aan sommige influencers die de Black Lives Matters-beweging benaderden als een hype met bijhorend TikTok-dansje. Er kunnen oprechte gevoelens van frustratie aan de grondslag liggen van deze performance, maar de focus ligt op de uiting zelf: het is acteren veeleer dan ageren. Het is grotendeels poppenkast, een holle doos, schone schijn.
Zo is ook hier het middel – zichzelf tonen als ‘activist’ – een doel op zich geworden. Dat kan gepaard gaan met een gevoel van opluchting: iets doen is beter dan niets doen. In die zin kunnen zowel performatief activisme als terrorisme dienen als uitlaatklep, als een manier om vat te krijgen op een gevoel van onrecht dat anders te groot of te complex lijkt om te tackelen.
Eenhoorn-kostuum
Terrorisme valt enkel af te keuren, bij performatief activisme ligt het genuanceerder. In het huidige klimaat woedt een perceptiestrijd rond activisme, waardoor activisten haast niet anders kunnen dan nadenken over hoe ze geportretteerd zullen worden in (sociale) media. Zo gaan anti-Trump-betogers in de Verenigde Staten dansend de straat op in opblaasbare pakken van kikkers, dino’s en eenhoorns, in de hoop dat ze zo het label van relschoppers van zich af kunnen schudden. Meteen tonen ze daarmee dat protesteren plezierig en verbindend kan zijn, en trekken ze potentieel geïnteresseerden aan.
In Leuven voerden betogers voor een paars punt zogezegd een 'intimiderende en gewelddadige actie', omdat hun microfoons te luid stonden.
In mijn thuisstad Leuven trokken de betogers voor een paars punt, een meldpunt voor seksueel grensoverschrijdend gedrag in het uitgaansleven, onlangs aan het kortste eind. Hoewel het ging om een redelijk kleine groep vreedzame betogers, spraken de media achteraf van een intimiderende en gewelddadige actie, omdat hun microfoons te luid stonden.
Dus ja, strategisch activisme kan haast niet anders dan rekening te houden met beeldvorming en performance. Het is niet makkelijk navigeren in deze perceptiestrijd. Wordt het niet weggezet als extremistisch of gewelddadig, dan wel als kinderlijk en naïef. Dan is het de moralistische druppel op een hete plaat, of heeft het een hoog kumbaya-gehalte. Wie de status quo wil behouden, doet ons graag geloven dat activisme iets is voor linkse loonies, looters en losers (gekken, dieven of sukkels).
Dat narratief zet een muur tussen zweverig idealisme en voetjes-op-de-grond-realpolitik, tussen de wat dommige Gutmensch en de nuchtere boekhouder. Het plaatst ons vooral voor valse keuzes: solidariteit of welvaart, dromen of doen.
Verzet van alledag
Nochtans blijkt uit historische en hedendaagse voorbeelden dat activisme wel degelijk een reële impact kan hebben. Daarom is het des te vervelender voor critici van activisme tout court wanneer activisme duidelijk maakt dat het niet impulsief maar doordacht is, niet zweverig maar strategisch, niet performatief maar oprecht, niet extreem maar noodzakelijk. Dat toont dat die muur tussen rechtvaardig en realistisch er niet echt staat.
Wanneer Greta Thunberg inmiddels argwanend wordt omschreven als ‘professioneel activist’, dan is dat omdat ze haar kinderlijk imago is ontgroeid, omdat haar activisme niet langer schattig maar invloedrijk is. Hoewel het label bedoeld was als een nieuwe poging tot framing, hoor ik de muur vooral kraken. Activisme (krak) dat (krak) werkt (krak).
Doordacht, strategisch, oprecht en noodzakelijk activisme bestaat in verschillende vormen en uit verschillende stappen. Binnen de zogenaamde Resistance Studies ging men tot voor kort uit van een grote tweedeling tussen zichtbaar en onzichtbaar activisme. De noemer van zichtbaar activisme zou samengaan met andere kenmerken als publiek, georganiseerd, collectief en gericht op confrontatie.
De onzichtbare tegenhanger zou zich meer afspelen in het privéleven, op individuele of kleine schaal, is repetitief en vermijdt rechtstreekse confrontatie met autoriteiten. Dit soort activisme wordt ook wel everyday resistance genoemd. Dit dichotome onderscheid is wat achterhaald. Individuele actie kan zichtbaar zijn, onzichtbare actie kan collectief en georganiseerd zijn, enzovoorts. Een alternatieve categorisering – uiteraard nog steeds een versimpeling van de realiteit – is het ABC-model: A voor avoidance, B voor breaking, en C voor constructive.
De typologie van Amerikaans activist Daniel Hunter volgt ongeveer hetzelfde driedelige schema. Ik baseer me op bovenstaande modellen om drie categorieën van activisme te kunnen destilleren: 1) zichtbaar maken en confronteren, 2) niet deelnemen en tegenwerken, en 3) (alternatieven) opbouwen. In wat volgt geef ik per categorie enkele voorbeelden, en bespreek ik hun doelstelling, sterktes en valkuilen.
Dikke Freddy
De strategie van ‘zichtbaar maken en confronteren’ wil het publiek informeren en sensibiliseren over een kwestie, of een doelgroep overtuigen om gewenste actie te ondernemen. Denk daarbij aan de open brieven van Dikke Freddy, aan lobbywerk op een kabinet, op straat komen om te protesteren, maar ook aan strategisch procederen – zoals de woonzaak, klimaatzaak of kinderopvangzaak.
Deze strategie kent ook disruptievere verschijningsvormen. De inzet is de normale gang van zaken te onderbreken en mensen wakker te schudden door buiten de normatieve lijntjes te kleuren. Disruptief activisme moet het hebben van het ontregelende effect. Denk aan de wegblokkades van de gele hesjes, of aan de activisten die onlangs de Britse kroonjuwelen besmeurden met eten (wat zou Filip daarvan vinden?).
Disruptief activisme is controversieel, en wil dat in zekere zin ook zijn.
Disruptief activisme is controversieel, en wil dat in zekere zin ook zijn. Alleen lijkt de tolerantie voor dit soort activisme de laatste jaren af te nemen en de criminalisering ervan toe te nemen. De rechtszaak tegen klimaatklever Wouter Mouton vormt daarbij geen uitzondering meer.
Juridische tegensancties en de fysieke veiligheid van de activisten in kwestie zijn meteen al aandachtspunten, of zeg maar valkuilen, bij dit soort activisme. Daarbij komt de negatieve framing en het risico op polarisatie en backfiring.
Daarnaast stelt de vraag zich of je eerder moet inzetten op toegankelijke, ‘brave’ massamobilisatie of net op disruptieve acties? Onderzoekster Erica Chenoweth stelt dat massamobilisatie die minstens 3,5 procent van de bevolking op de been brengt, een zeer sterke katalysator is voor verandering. Anderzijds suggereert de theorie van het radical flank-effect dat het bestaan van radicale of disruptieve groepen de standpunten van gematigdere groepen aan populariteit doet winnen bij het bredere publiek. Het ene hoeft het andere niet uit te sluiten.
Dienstweigering
Onrecht zichtbaar maken en autoriteiten aanspreken op hun verantwoordelijkheid is een redelijk voor de hand liggende strategie voor activisten, maar daar hoeft het niet te stoppen. Niet zelden maken wij als burgers of als organisaties zelf op de een of andere manier deel uit van een groter systeem waarbij we ons vragen stellen. Door niet langer mee te werken, kunnen we de macht van dat onrechtvaardig systeem ondermijnen, wat het voor bestaande instanties steeds moeilijker maakt om het in stand te houden.
De meest voor de hand liggende voorbeelden zijn een consumentenboycot of het stakingsrecht. Daarnaast passen informatie achterhouden, dienstweigering bij het leger (sorry Theo), walk-outs zoals de leeggelopen zaal bij Benjamin Netanyahu’s speech voor de algemene vergadering van de Verenigde Naties, of de zogenaamde cancelcultuur in het rijtje. Een groot deel van het verzet in de Tweede Wereldoorlog volgde deze strategie, door Joodse families en anderen onderdak te bieden of treinen richting concentratiekampen te saboteren.
Het mooie aan deze strategie is dat het ons herinnert aan het feit dat veel macht relationeel is. Ze ligt niet uitsluitend bij grote instituten, maar ook bij onszelf. De eigen (in)actie heeft een rechtstreekse impact. Deze vorm van activisme is bovendien veiliger binnen repressieve contexten, waar op straat komen niet altijd een optie is. De moeilijkheid is dan om voldoende mensen over de brug te krijgen voor een collectief ‘nee’.
Alternatieven
Het sluitstuk van dit driedelige overzicht volgt uit de vorige strategie. Na niet meewerken aan een bestaand systeem, is de volgende stap de uitbouw van een nieuw alternatief systeem. Deze strategie volgt het credo Be the change you want to see. Het achterliggende idee is opnieuw dat we voor elkaar kunnen zorgen in plaats van te geloven dat we afhankelijk zijn van al dan niet responsieve autoriteiten. Dat kan gaan van inspireren over hoe het anders kan, over aanvullingen op een bestaand systeem, tot de vervanging van het systeem in kwestie.
Een valkuil van opbouwend activisme is dat het de steken oppakt die het beleid laat liggen, en zo een gebrekkig regulier systeem net mee mogelijk maakt.
Denk aan coöperatieve plukboerderijen, alternatieve opvangplaatsen, voedselbedeling, open-source projecten, alternatieve munteenheden en opbouwwerkers. Dit soort activisme toont hoe het anders kan met voelbaar resultaat. Het vereist daarvoor niet per se een groot aantal deelnemers, maar mogelijk wel een grote emotionele of tijdsintensieve inzet.
Opbouwend activisme is vaak minder politiserend en controversieel, wat een voordeel kan zijn, maar ook een teken dat dit soort activisme het bestaande systeem onvoldoende uitdaagt. Een valkuil van opbouwend activisme is dat het de steken oppakt die het beleid laat liggen, en zo een gebrekkig regulier systeem net mee mogelijk maakt.
Democratisch ecosysteem
Welke vorm of strategie is nu de meest efficiënte? Dat hangt af van de specifieke context, het concrete doel en van het veranderende politieke klimaat. Naar analogie met de klimaatverandering ligt de sleutel voor succes volgens mij bij een combinatie van strategieën van adaptatie (aanpassing aan) en mitigatie (terugdringing of vermindering).
Aan de ene kant kan het in deze context een keuze zijn om meer in te zetten op minder controversiële vormen van activisme, aan de andere kant blijft het belangrijk om een tegenmacht te bouwen en het recht op protest te verdedigen.
De verschillende activistische strategieën vullen elkaar aan en kunnen elkaar versterken. Samen met verschillende sociale actoren spelen ze elk een eigen rol in een groter sociaal ecosysteem, zoals auteur Deepa Iyer beschrijft. Net nu tal van deze actoren onder vuur liggen, is onderlinge solidariteit belangrijker dan ooit.
Greta Thunberg zei correct: ‘Van zodra we in actie komen, is er overal hoop. Dus, in plaats van op zoek te gaan naar hoop, ga op zoek naar actie. Dan, en alleen dan, volgt de hoop vanzelf.’
Die blijft gelukkig niet achter. Op de Vlaamse subsidiebeslissing regende het reacties als ‘een politieke aanval op een van ons, is een aanval op ons allemaal’. De open brief die 75 organisaties uit het Vlaamse middenveld ondertekende, onderlijnt: ‘De kracht van dit veld ligt in zijn veelzijdigheid.’ Het verband tussen sociaal kapitaal en de kwaliteit van een democratie beschreef Amerikaans socioloog Robert Putnam al in 1993 in Making Democracy Work. Voor DeWereldMorgen verwoordde filosoof Marc Vandepitte het zo: ‘Democratie is geen periodiek event – om de vier jaar een bolletje kleuren – maar een ecosysteem.’
Ja, activisme speelt een belangrijke rol in het ecosysteem van onze democratie. Het is een beladen concept en roept niet alleen allerlei associaties op – van extremistisch tot kinderachtig – maar ook heel wat emoties van boosheid en frustratie, over ontevredenheid, verdriet en teleurstelling tot (veer)kracht, verwondering, hoop, verbondenheid, vertrouwen, enthousiasme en strijdvaardigheid.
Lijkt de hoop zoek, dan denk ik graag aan de woorden van ‘professioneel activist’ Greta Thunberg: ‘Van zodra we in actie komen, is er overal hoop. Dus, in plaats van op zoek te gaan naar hoop, ga op zoek naar actie. Dan, en alleen dan, volgt de hoop vanzelf.’ Met andere woorden: activisme heeft zin en geeft zin. Activisme, dat werkt.

