Op 8 november 2019 nam de Europese Raad de aanbeveling aan voor ‘de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen’. Dat was een belangrijk signaal om de dekkingsgraad van de sociale bescherming te versterken voor alle werkenden, ongeacht hun arbeidsvorm.
Het belang van die aanbeveling bleek duidelijk tijdens de COVID-19-periode. Een belangrijke kanttekening is dat het hier gaat om sociale bescherming, niet om sociale bijstand. Voor die laatste kunnen we op Europees niveau terugvallen op de nog recentere aanbeveling van januari 2023 voor een adequaat minimuminkomen.
De aanbeveling over toegang tot sociale bescherming is belangrijk omdat er nog steeds aanzienlijke lacunes bestaan in de bescherming van verschillende groepen werkenden. Zowel de typische, lees voltijds werkende, werknemers, als de atypische werknemers, deeltijds werkend of actief in een of ander tussenstatuut, kunnen niet altijd rekenen op dezelfde voorzieningen, zoals werkloosheids- en ziekte-uitkeringen.
De Vivaldi-regering had nog de ambitie om armoede terug te dringen, zowel via het verhogen van uitkeringen als door bepaalde lacunes te vullen. In schril contrast tot de huidige regering.
Zoals wel vaker met aanbevelingen gebeurt, verloopt de implementatie ervan in de EU-lidstaten met wisselend succes. Dat blijkt onder meer uit een evaluatie van de Europese Commissie in 2023 die de voortgang bij de uitvoering van de aanbeveling als ‘gemengd’ beschouwde.
Hoewel alle lidstaten, behalve Luxemburg, nationale uitvoeringsplannen hebben ingediend, richten ze zich vaak alleen op bepaalde aspecten van sociale bescherming. Bovendien is er maar een beperkte betrokkenheid van sociale partners en maatschappelijke organisaties bij de uitvoering. België vormt daarop geen uitzondering. De sociale partners waren amper betrokken bij het opstellen van het Belgische landenrapport en actieplan.
Tegelijk moeten we de Belgische situatie en de opgemaakte plannen in de huidige context plaatsen. Het nationaal actieplan dateert van de vorige regering. En hoewel die allerminst alleen maar sociale cadeaus heeft uitgedeeld, zoals sommigen graag beweren, had die wel nog de ambitie om armoede terug te dringen, zowel via het verhogen van uitkeringen als door bepaalde lacunes te vullen. Zo werden stappen gezet op vlak van toegang tot de sociale zekerheid voor sekswerkers en werden enkele maatregelen genomen om het statuut van platformwerkers te bepalen. Andere zaken, zoals minimale uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid tijdens de eerste drie maanden verdwenen alsnog, ondanks eerdere toezeggingen.
In schril contrast daarmee staat de huidige regering. Het regeerakkoord en de eerste maatregelen bevatten alleen maar beperkingen van sociale bescherming en de uitbreiding van precaire statuten. Voorbeelden zijn studentenarbeid, waarbij geen sociale rechten worden opgebouwd. Of flexi-jobs, waarbij de werknemer afhankelijk is van de werkgever omwille van het oproepkarakter. Denk bijvoorbeeld aan een nieuwe pandemie die het werk stillegt, of gewoon een zware economische terugval: voor flexi-jobbers zal er geen tijdelijke werkloosheid zijn, met inkomensverlies als gevolg voor mensen die hier steeds meer op rekenden.
Huispersoneel
Maar het sterkste voorbeeld is de werkloosheidsuitkering, waarvan de duur wordt beperkt tot maximaal twee jaar en in de feiten vaak korter zal uitvallen, want voor een volledige duur van twee jaar dient men al vijf jaar gewerkt te hebben. Er is één uitzondering: de zelfstandigen komen er in dit regeerakkoord wel beter uit, met onder meer een uitbreiding van de vrijstelling van bijdragen tijdens zwangerschap, lagere administratieve lasten en, in tegenstelling tot alle andere actoren, geen versterkte responsabilisering. Die mildheid hoeft geen probleem op zich te zijn, ware het niet dat ze sterk contrasteert met de manier waarop de sociale rechten van werknemers worden ingekort.
Er is één uitzondering: de zelfstandigen komen er in dit regeerakkoord wel beter uit, met onder meer een uitbreiding van de vrijstelling van bijdragen tijdens zwangerschap en lagere administratieve lasten.
Normaal moet een nieuw actieplan worden opgemaakt in 2025, met bijhorende statistieken die de toegang tot sociale bescherming weergeven. Het is maar de vraag hoe deze nieuwe regering het volgende actieplan zal invullen. Van een nieuw actieplan valt niet te verwachten dat het omgekeerde zal gebeuren van wat de huidige regering voorstaat, namelijk een inperking van sociale rechten.
Daarbij komt de vaststelling dat er ook zonder die inperking nog veel werk op de plank lag. België mag zich dan wel, niet ten onrechte, roemen om zijn sterke sociale systeem, er blijven nog steeds heel wat groepen niet of onder-beschermd. Sommigen met een (vorm van) arbeidsovereenkomst, andere zonder. Het gaat dan om huispersoneel, wijkwerkers en andere tewerkstellingsstatuten, artsen in opleiding, of deeltijds leerplichtigen met een arbeidsovereenkomst. Maar evenzeer platformwerkers, onthaalouders en mantelzorgers.
Buiten het oog van de aanbeveling voor sociale bescherming, maar wel binnen de scope van de aanbeveling voor een minimuminkomen zijn de andere kwetsbare groepen in de samenleving, zoals dak- en thuislozen, en nieuwkomers, zowel asielzoekers als mensen zonder wettelijk verblijfsrecht.
Nieuwkomers waren al bijzonder kwetsbaar en zeker voor deze groep toont de nieuwe regering zich buitengewoon hard. Ze perkt voor hen het recht in op sociale bijstand tot het absolute minimum door de beschermingsstatus te minderen en het recht te koppelen aan verblijfsvoorwaarden.
Aan die groep uiterst kwetsbaren mogen de komende legislatuur nog de werklozen worden toegevoegd, waarbij langdurig werkzoekenden massaal weggeduwd worden van hun rechten, zonder de zekerheid dat ze op andere ondersteuning beroep kunnen doen. Een groot deel zal noodgedwongen terechtkomen bij de sociale bijstand. Voor samenwonenden wordt dat problematisch in geval van een partner met een vorm van inkomen, wat een directe verarming op gezinsniveau kan betekenen.
Waar moeten mensen die buiten de sociale zekerheid en zelfs buiten de sociale bijstand vallen dan heen? Wat met groepen die nu onvoldoende rechten kunnen putten, of van wie rechten worden ingeperkt?
Warme en koude solidariteit
Het is een interessante oefening om te kijken in welke mate de samenleving, meer bepaald het middenveld een rol kan opnemen in de bescherming van nu ongedekte sociale risico’s voor bepaalde groepen. De werkloosheidsuitkeringen ontstonden namelijk ook uit het initiatief van de vakbonden om het risico op werkloosheid voor de leden op te vangen. Dat is de reden waarom vakbonden nu nog een belangrijke rol spelen in de uitbetaling ervan. Kunnen organisaties deze rol niet sterker, of opnieuw, opnemen?
In landen als Zweden en Denemarken, bieden vakbonden aanvullende werkloosheidsverzekeringen aan met specifieke fondsen.
De theorie is eenvoudiger dan de praktijk. Hoewel veel sociale-beschermingssystemen zijn gegroeid uit informele organisatie-verbanden, zoals vakbonden en mutualiteiten, zijn ze doorheen de tijd uitgebreid, geformaliseerd en geïnstitutionaliseerd. Wat eerst een vrijwillig karakter had, op basis van gekende verbanden en zogenaamde warme solidariteit, werd uitgebouwd tot een systeem van koude (en ook anonieme) solidariteit, waarbij bijdragen en rechten een veralgemeend en verplichtend karakter kregen.
Laat die laatste elementen nu net zeer belangrijk zijn om bepaalde groepen te bereiken.
Eerst terug naar het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Dergelijke informele en meer formele systemen zijn eigenlijk altijd blijven bestaan en bestaan nog steeds. Zo zijn er bepaalde religieuze of migrantengemeenschappen die via bijdragen elkaar steunen in geval van werkloosheid of ziekte. Of meer formeel, in landen als Zweden en Denemarken, bieden vakbonden aanvullende werkloosheidsverzekeringen aan met specifieke fondsen.
Nederlandse broodfondsen
Een relatief recente en interessante casus is de ontwikkeling van de Nederlandse broodfondsen in de laatste vijftien jaar. Nederland kent een zeer grote graad van zelfstandigen, vooral zogenaamde ZZP’ers – zelfstandigen zonder personeel – zo’n 12 procent van de beroepsbevolking. Ze zijn niet automatisch via sociale bijdragen gedekt voor ziekte-uitkeringen zoals in België.
Een van de vooropgestelde oplossingen daarvoor was de ontwikkeling, of eerder de terugkeer, van de zogenaamde broodfondsen. Een informeel vangnet voor zelfstandigen (ZZP’ers) die zich willen beschermen tegen inkomensverlies bij ziekte, maar zich geen arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) kunnen of willen veroorloven. Het zijn collectieven van twintig tot vijftig zelfstandigen die elkaar financieel steunen bij ziekte.
Het grootste probleem van informelere oplossingen zit in het vrijwillige karakter. Dat maakt dat er geen garantie is op toetreding of bijdragen, en dus ook geen gegarandeerd recht op bescherming.
In plaats van een premie te betalen aan een verzekeraar, stort elk lid maandelijks een bedrag op een persoonlijke broodfondsrekening, vaak bij een bank op naam van de deelnemer. Als iemand ziek wordt, ontvangt die maandelijks een gift van de andere leden om het inkomensverlies op te vangen. Er zouden in 2024 meer dan zeshonderd broodfondsen actief zijn in Nederland, met in totaal tienduizenden deelnemers. Wie langdurig ziek is, krijgt van anderen schenkingen om van te leven. De beslissingen gebeuren samen, er is gaan wettelijk kader of geneeskundige controle.
In elk van bovenvermelde voorbeelden zitten niettemin grote lacunes die het mogelijke enthousiasme temperen voor dergelijke systemen als oplossing voor de lacunes in de sociale bescherming. Het grootste probleem zit bij het vrijwillige karakter. Dat maakt dat er geen garantie is op toetreding of bijdragen, en dus ook geen garantie op een recht op bescherming.
Net het fundament van de sociale zekerheid zoals we ze kennen.
Allerminst transparant
Maar zelfs als de wil tot toetreding bij de volledige beoogde doelgroep zou bestaan, dan nog is de haalbaarheid of toegang allerminst verzekerd. Diegenen die nu buiten het sociaal vangnet vallen, zijn vaak de zwakste groepen, die amper zelf over de nodige bestaansmiddelen beschikken. Het is dan zeer utopisch om op basis van hun inkomen bijdragen te verzamelen voor een adequate ondersteuning als zij zelf al niet over een adequaat inkomen beschikken.
We mogen informele solidariteit nooit afwijzen, maar het mag geen excuus zijn voor de afbouw of afwenteling van de formele en publieke sociale bescherming voor de zwaksten.
Dergelijk probleem toont zich ook in het Nederlandse voorbeeld, waar alleen ZZP’ers met een bepaald inkomen mogen toetreden. Bovendien beslissen de zelfstandigen onderling wie er in hun groep kan worden opgenomen, waardoor het recht op toegang allerminst transparant of verzekerd is voor iedereen. Net het algemene en verplichtende karakter van sociale bescherming garandeert dat sociale risico’s voldoende gespreid zijn en maakt het mogelijk om de zwakste groepen mee te nemen.
Hoewel we het organiseren van informele solidariteit nooit mogen afwijzen, mag het geen excuus zijn voor de afbouw of afwenteling van de formele en publieke sociale bescherming voor de zwaksten. Het is net de overdracht van het organisch gegroeide systeem van warme naar koude solidariteit die toegelaten heeft, en verder kan toelaten, dat de meest kwetsbare groepen ook bereikt en ondersteund worden. De overheid kan haar rol hierin niet afschuiven op de zelforganisatie van de samenleving.
Men kan een uitzondering maken voor aanvullende stelsels, waarbij een basisrecht voor iedereen is gegarandeerd, al is ook daar waakzaamheid geboden. Aanvullende initiatieven kunnen net zo goed aanleiding geven om de verplichte basisbescherming te beperken tot een minimum en vervolgens ongelijkheid te creëren via al dan niet volledig geprivatiseerde aanvullende stelsels. Die evolutie is nu al zeer merkbaar in het Nederlandse pensioensysteem.
Politiseren
Is er dan geen rol weggelegd voor het middenveld in de bescherming van momenteel onderbeschermde groepen in de samenleving?
Uiteraard wel. Cruciaal is om een stem te geven aan wie nu buiten de systemen valt. Deze groepen zichtbaar maken. Hun nood aan bescherming moet worden afgedwongen en hun rechten moeten worden gegarandeerd. Dat is een appel naar het ACV als vakbond. Nu al proberen we groepen die zich niet automatisch tot een vakbond wenden te bereiken, met werkingen zoals United Freelancers waar platformwerkers en andere groepen beroep kunnen doen op ondersteuning.
Maar met het oog op de komende hervormingen, waarbij steeds meer personen in de bijstand of in de arbeidsongeschiktheid worden geduwd, of waarbij asielzoekers naar de flexi-arbeidsmarkt worden geleid, stelt zich de vraag hoe we die groepen – nog voor ze zich effectief op de arbeidsmarkt bevinden – beter kunnen vatten in onze werking en hen sterker kunnen vertegenwoordigen, zodat ook zij hun rechten kunnen afdwingen.

