Vaak zijn nieuwe bottom-up bewegingen en -praktijken in de samenleving kleine, informele initiatieven die snel en van nabij inspelen op uiterst urgente noden. Hun activiteiten lopen uiteen: mensen samenbrengen, materiële steun voorzien, juridisch advies geven, systemen uitwerken van onderlinge financiële ondersteuning, maar ook politiseren of mensen oriënteren naar werk of opleiding.
Zo geeft in Zeebrugge priester Fernand Marechal samen met een ploeg vrijwilligers al jarenlang migranten eten, drinken en tijdens de winter ook nachtopvang. In Brussel ontstond tijdens de opvangcrisis van 2015 het Burgerplatform voor Steun aan Vluchtelingen, een snel groeiend burgerinitiatief dat onderdak, voedsel en begeleiding bood waar overheidsstructuren faalden. Bij KFC City Pirates in Antwerpen gaat het voetbalveld hand in hand met een mentor-rol, huiswerkbegeleiding en wijkwerking, terwijl organisaties als De Mangoboom in Bloei in Anderlecht werken aan gemeenschapsvorming en alternatieve vormen van participatie.
Wat al deze initiatieven verbindt, is hun vermogen om aanwezig te zijn waar andere vormen van hulpverlening vaak afwezig blijven: laagdrempelig, relationeel en stevig verankerd in het alledaagse leven van mensen.
Deze initiatieven noemen we sociaal schaduwwerk: een verzamelnaam voor informele sociaalwerkpraktijken die opereren in de marge van het systeem, maar daarom niet minder betekenisvol zijn. Meer nog: ze confronteren ons met de vraag wat sociaal werk in essentie is, voor wie het bedoeld is, en hoe het zich verhoudt tot de veranderende maatschappelijke realiteit.
Tussen nabijheid en onzichtbaarheid
Dit soort praktijken blijft vaak onder de radar van beleidsmakers en professionele actoren. Toch spelen ze een essentiële rol in het dagelijks leven van groepen die moeilijk toegang vinden tot het formele welzijnsaanbod. Ze bouwen bruggen, bieden nabijheid, en creëren veilige ruimtes waarin mensen ondersteund worden, vaak zonder dat het expliciet als hulpverlening wordt benoemd. Het sociaal schaduwwerk biedt geen pasklare oplossingen, maar wel waardevolle inzichten voor wie de toekomst van sociaal werk mee wil vormgeven.
De organisaties en praktijken waarover we spreken – zelforganisaties, burgerinitiatieven, religieus of levensbeschouwelijk geïnspireerde initiatieven of sociaalsportieve praktijken – zijn sterk geworteld in de leefwereld van hun doelgroep. Wat ze met elkaar delen, is een vanzelfsprekende nabijheid tot mensen in kwetsbare situaties.
Sociaal schaduwwerk vindt vooral plaats in de schaduw van het formele systeem. Niet omdat het iets te verbergen heeft, maar omdat het simpelweg vaak niet herkend of erkend wordt.
Ze werken zonder intakeformulieren of wachtlijsten en creëren ruimte voor ondersteuning die vertrekt vanuit relatie en vertrouwen. Het is precies die laagdrempeligheid en flexibiliteit die maakt dat ze mensen bereiken die elders afhaken of uit beeld blijven: mensen met een precair verblijfsstatuut, mensen met negatieve ervaringen met sociaalwerkorganisaties, jongeren die zich nergens thuis voelen. Niet zelden functioneren deze plekken als veilige havens, waar ontmoeting en erkenning voorafgaan aan elke vorm van hulp.
Toch vindt sociaal schaduwwerk vooral plaats in de schaduw van het formele systeem. Niet omdat het iets te verbergen heeft, maar omdat het simpelweg vaak niet herkend of erkend wordt. Beleidsplannen spreken over participatie, maar zelden over de subtiele infrastructuren van nabijheid die onder de radar opereren. Ook studenten sociaal werk leren vaak weinig tot niets over de rijkdom van informele praktijken in hun stad.
'Moeilijk bereikbaar'
Formeel sociaal werk en sociaal schaduwwerk zijn vaak in dezelfde wijken actief rond gelijkaardige thema’s. Toch zijn het nog grotendeels gescheiden werelden. Sociaal werkers zijn zich vaak niet bewust van de omvang van het sociaal schaduwwerk en haar werking. Evenzeer kennen schaduwwerkers vaak het formele veld niet. De formele sector werkt meestal onder mandaat van de overheid, met procedures, meetbare resultaten en vanuit een gedeelde beroepsethiek
Informele spelers ervaren het formele veld van sociaal werk vaak als afstandelijk, traag of bevoogdend.
Sociaal schaduwwerk opereert losser, flexibeler, zonder bureaucratische vereisten. Dat creëert ruimte voor alternatieve praktijken, maar roept ook vragen op over transparantie, legitimiteit en duurzaamheid. Bovendien bestaan er hardnekkige wederzijdse vooroordelen. Informele initiatieven met een etnisch of religieus profiel worden al te vaak beoordeeld vanuit een integratiekader, waarbij de nadruk ligt op conformiteit eerder dan op de maatschappelijke bijdrage.
Die lens versterkt wantrouwen en werkt uitsluiting in de hand. Tegelijk ervaren informele spelers het formele veld vaak als afstandelijk, traag of bevoogdend.
Wanneer de werelden elkaar kruisen en er wél samenwerking ontstaat, is dit vaak ad hoc, gefragmenteerd of asymmetrisch. Informele spelers worden vaak benaderd als toegangspoort tot ‘moeilijk bereikbare’ doelgroepen, maar zelden als gelijkwaardige partners in het uitdenken van zorgzame gemeenschappen.
Omgekeerd bestaat bij veel schaduwwerkers de vrees dat samenwerking met overheden of instellingen hun eigenheid onder druk zet. Ze vrezen verlies van vertrouwen, bureaucratisering of zelfs instrumentalisering van hun werking. Uiteenlopende wederzijdse verwachtingen rond de samenwerking kunnen zorgen voor miscommunicatie, irritatie en zelfs mislukte partnerschappen.
Dat spanningsveld wordt versterkt door ongelijke toegang tot middelen en netwerken. Veel informele organisaties kampen met financiële onzekerheid en gebrek aan ruimte of infrastructuur. In vergelijking met formele spelers beschikken informele actoren over veel minder middelen en worden gedragen door veel minder mensen. Velen balanceren tussen betrokkenheid en uitputting. Dit leidt per definitie tot een ongelijke verhouding tussen beide partijen.
Erkennen zonder inlijven
Toch toont onderzoek en praktijkervaring aan dat de afstand tussen beide werelden niet onoverbrugbaar is. Waar dialoog ontstaat, groeit inzicht in elkaars drijfveren, grenzen en mogelijkheden. Wat nodig is, is een wederzijdse erkenning van verschil: van het belang van trage, relationele praktijken naast beleidsmatige trajecten, van het belang van verhalen en ervaringskennis naast cijfers en output.
Voorwaarde is wel dat informele spelers ondersteund worden op een manier die hun autonomie niet ondergraaft. Ze verdienen respect en gedeeld zeggenschap. Alleen zo kunnen ze hun maatschappelijk potentieel ten volle blijven inzetten.
Sociaal schaduwwerk is geen pleidooi voor romantische burgerkracht, en evenmin een oplossing voor een terugtrekkende overheid. Het is eerder een signaal: dat klassieke systemen niet altijd (meer) volstaan.
Sociaal schaduwwerk is geen pleidooi voor romantische burgerkracht, en evenmin een oplossing voor een terugtrekkende overheid. Het is eerder een signaal: dat klassieke systemen niet altijd (meer) volstaan, en dat de antwoorden op maatschappelijke uitdagingen soms in de marge ontstaan. In die zin daagt sociaal schaduwwerk ons uit om sociaal werk ruimer te denken dan louter het formele veld.
Wat zou het betekenen om de sociale infrastructuur van een stad niet enkel te bekijken in termen van erkende diensten en gesubsidieerde organisaties, maar ook in termen van wat leeft, groeit en onder de radar beweegt? Hoe kunnen we bouwen aan hybride structuren waarin professionele en niet-professionele, formele en informele, oude en nieuwe praktijken elkaar aanvullen zonder elkaar te overschaduwen?
Sociaal schaduwwerk herinnert ons eraan dat sociaal werk niet alleen beleidsuitvoering is, maar ook engagement, nabijheid en solidariteit. Het laat zien dat zorg en ondersteuning ook ontstaan op plekken die niet erkend zijn als ‘officiële’ hulpverlening, maar waar mensen elkaar dragen, tijd maken en aanwezig zijn. Net die praktijken confronteren het sociaal werk met zijn institutionele grenzen én met zijn essentie.
Van vervellen naar verbinden
In het licht van het themanummer – hoe instellingen en bewegingen vervellen in veranderende tijden – roept dit fundamentele vragen op. Hoe kunnen klassieke middenveldorganisaties zich heruitvinden zonder hun ziel te verliezen? Hoe blijven ze relevant in een tijd waarin maatschappelijke betrokkenheid zich niet langer beperkt tot de vergaderzaal, maar ook ontstaat in WhatsApp-groepen, buurtkeukens, sportclubs of gebedsruimtes? En hoe kunnen zij zich verhouden tot nieuwe, informele praktijken die evenzeer maatschappelijke meerwaarde bieden?
De toekomst ligt mogelijk in het bouwen aan hybride infrastructuren van solidariteit: een sociaal werk dat niet langer strikt formeel of informeel is, maar verbindend, meervoudig en contextgevoelig. Dat vraagt om institutionele verbeeldingskracht én om de moed om macht te delen. Pas als sociaal schaduwwerk wordt erkend als volwaardige partner, komt structurele samenhang in zicht.
In een tijd van toenemende maatschappelijke ongelijkheid, diversiteit en onzekerheid, vraagt sociaal werk om ankerpunten én om bewegingsruimte. Klassieke actoren staan op een kruispunt: ze kunnen zich afsluiten in routines, of ze kunnen de vernieuwing die elders al aan de gang is erkennen en mee vormgeven.
Sociaal schaduwwerk is geen blauwdruk voor de toekomst, maar het draagt wel de kiemen in zich van een sociaal werk dat vertrekt van wat mensen zelf opbouwen, eerder dan van wat systemen voorschrijven. Misschien ligt precies daar het begin van een toekomstbestendig sociaal werk: niet in de herhaling van het bestaande, maar in de ontmoeting met het onverwachte.

