De federale regering-De Wever besliste afgelopen zomer om de opzegtermijn in de eerste maanden van een nieuwe job inkorten. Wie binnen de eerste zes maanden stopt of wordt ontslagen, zou voortaan nog maar één week opzeg krijgen. Op het moment dat het parlement erover beslist, komt de Raad van State nu met een duidelijk negatief advies. De plannen van de regering doen 'onevenredig' afbreuk aan het grondwettelijk recht op billijke arbeidsvoorwaarden.
Vandaag is de opzeggingsperiode nog ruimer geregeld. Wie minder dan drie maanden werkt, heeft bij ontslag recht op één week opzeg. Maar na drie maanden bouw je meer bescherming op naarmate je al langer aan de slag bent. Die geleidelijke opbouw wil de regering afschaffen. In plaats daarvan komt er één enkele regel voor de hele eerste periode.
Europees Comité: opzegtermijn onvoldoende
In de praktijk betekent dat voor veel mensen vooral minder zekerheid tijdens de eerste maanden op een nieuwe job. Dat is ook wat de Raad van State onderstreept. Volgens zijn advies knaagt de maatregel aan de bescherming voor werknemers met drie tot zes maanden anciënniteit. Het rechtscollege vraagt zich af of dat wel in verhouding staat tot wat mensen nodig hebben om een nieuwe job te vinden zonder van vandaag op morgen zonder inkomen te vallen.
De Raad van State verwijst daarbij ook naar het Europees Comité voor Sociale Rechten, dat eerder al oordeelde dat een opzegtermijn van één week voor werknemers tot zes maanden anciënniteit onvoldoende is. Voor werknemers tot drie maanden kan het nog net, maar langer niet.
Vier weken loon en ademruimte weg
Het maakt een groot verschil voor wie net begint, waarschuwt ook juridisch expert Piet Van den Bergh van het ACV. ‘Onder het huidige systeem kan iemand met vijf maanden dienst nog recht hebben op vijf weken opzeg. In de nieuwe regeling blijft daarvan maar een week over. Dat zijn vier weken loon en ademruimte minder als het misloopt.’
‘Onder het huidige systeem kan iemand met vijf maanden dienst nog recht hebben op vijf weken opzeg. In de nieuwe regeling blijft daarvan maar een week over’
Piet Van den Bergh, juridisch expert van het ACV
De regering zegt dat de verkorting werkgevers sneller nieuwe mensen zal laten aanwerven zo jobcreatie stimuleren. Volgens sommige voorstanders is het een moderne proefperiode: een beginfase van zes maanden om te kijken of het klikt.
Klassieke proefperiode in 2013 afgeschaft
Toch is ook zo’n ‘nieuwe proefperiode’ een bittere pil voor werknemers. Van den Bergh: ‘De klassieke proefperiode werd in 2013 afgeschaft als administratieve vereenvoudiging voor de werkgevers. Wat nu op tafel ligt, is dan ook geen herinvoering van de proefperiode, wel een platte verlaging van de bescherming van de werknemers.’
Volgens Van den Bergh schuift de regering het risico van een mislukte start op het werk in de eerste plaats door naar werknemers. Maar de kritiek gaat ook verder, want waar de regering een flexibelere arbeidsmarkt wil, is de vraag wie binnenkort nog de sprong naar ander werk durft maken als die de zes maanden nauwelijks bescherming krijgt.
Buiten, zonder te weten waarom
De Raad van State vraagt de regering uitdrukkelijk om de verkorting van de opzeggingstermijn 'meer te differentiëren' in functie van de anciënniteit. Laat niet iedereen tot zes maanden terugvallen op één week, luidt de boodschap. Met de voortvarendheid waarmee de regering met de plannen doorgaat, lijkt het niet of ze daaraan gehoor aan geeft.
Volgens het ACV is duidelijk dat het voorstel louter op maat van werkgevers geschreven is. ‘Werkgevers krijgen zonder twijfel meer flexibiliteit. Het wordt goedkoper en eenvoudiger om iemand opnieuw te laten vertrekken tijdens de eerste zes maanden. Bovendien heeft een werknemer tijdens de eerste zes maanden evenmin het recht om de redenen van zijn ontslag te kennen. Dat maakt het signaal van de regering om tijdens de eerste zes maanden te ontslagen extra wrang: buiten, zonder zelfs maar te weten waarom.’

