‘We need help, don’t forget us’, klinkt het luid op het Operaplein. De mannen, vooral Turken en Bengalezen, voeren deze week opnieuw actie aan het Antwerpse Operaplein om hun precaire situatie aan te kaarten. Sinds de wanpraktijken in juli aan het licht kwamen, kreeg een groep van 55 Bengalezen en Filipijnen al een voorlopige verblijfsvergunning. Dat geeft hen toegang tot onder meer huisvesting. Zij kunnen ook weer aan het werk.
Maar een groep van 83 werknemers blijft met lege handen achter. Zij zijn dan wel erkend door justitie als slachtoffer van mensenhandel, officieel kan hun procedure niet opgestart worden. Payoke, het centrum voor opvang van slachtoffers van mensenhandel, heeft immers middelen te kort om de hele groep op te vangen en zit zelf met de handen in het haar. Zonder officiële erkenning geraken de slachtoffers in deze zaak niet aan de verblijfsvergunning die hen de broodnodige bescherming biedt. De overheid moet in deze zaak dus bijspringen, maar doet dat niet. De zaak lijkt nu muurvast te zitten. Intussen verblijven de Turkse werknemers nog steeds in de appartementen van onderaannemer IREM, omdat er simpelweg niemand hen een alternatief biedt. Zo dreigen ze dakloos te worden.
‘Dat de overheid slachtoffers niet geeft waar ze fundamenteel recht op hebben, is stuitend’, zegt advocate Mieke Van Laer, collega van Jan Buelens. Ze hoopt dan ook dat de betrokken overheden zorgen voor een snelle oplossing voor deze humanitaire noodsituatie. Maar op lange termijn is er ook nood aan een wetgeving die deze praktijken van sociale dumping en moderne slavernij. aanpakt. Praktijken zoals die op de Borealis-site, zetten de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden zwaar onder druk. Als er niet snel een oplossing komt, doet België het niet veel beter dan Qatar.

