Werk moet als betekenisvol worden ervaren door degene die het uitvoert. Voor sommigen ligt die betekenis in persoonlijke ontwikkeling, voor anderen in relationele verbondenheid, maatschappelijke impact of de samenhang tussen werk, identiteit en levensverhaal. Zelfs in een welvarende regio als Vlaanderen wordt dat niet voor iedereen even goed gerealiseerd. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt blijft de toegang tot waardig werk kwetsbaar.
Het aandeel laaggekwalificeerde banen – met beperkte opleidingsvereisten en weinig complexiteit van taken – nam de voorbije decennia niet af, maar de samenstelling van wie ze invult veranderde wel. Door automatisering en globalisering verdwijnen middengekwalificeerde functies, waardoor middengeschoolden vaker uitwijken naar laaggekwalificeerde functies.
Kortgeschoolden verliezen in toenemende mate hun toegang tot werk als zodanig, wat zich vertaalt in een lage werkzaamheidsgraad.
Dat leidt tot verdringing aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Kortgeschoolden verliezen in toenemende mate hun toegang tot werk als zodanig, wat zich vertaalt in een lage werkzaamheidsgraad. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt concentreert zich bovendien een groot aandeel jobs met een lage arbeidskwaliteit. Laaggekwalificeerde functies gaan disproportioneel gepaard met ongunstige en soms precaire arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, zoals tijdelijke of onvrijwillig deeltijdse contracten, lage lonen, onregelmatige werkuren en fysiek zwaar of onaangenaam werk.
De organisatie van dit werk is sterk gericht op efficiëntie en controle, met weinig autonomie, eenvoudige en repetitieve taken, beperkte leermogelijkheden en een gebrek aan sociale steun en maatschappelijke waardering. Net die elementen zijn nochtans cruciaal om werk als zinvol te ervaren en volwaardig burgerschap te verwerven.
De combinatie van beperkte toegang tot werk en lage arbeidskwaliteit vergroot het risico op langdurige arbeidsongeschiktheid en ondermijnt de kansen op terugkeer naar werk. Slechts 2,9 procent van de kortgeschoolden die uitvallen, vinden binnen het jaar opnieuw werk, tegenover 8 procent bij hooggeschoolden. Vijf jaar na uitval is slechts ongeveer een kwart van de kortgeschoolden opnieuw aan het werk, minder dan de helft van het aandeel bij hooggeschoolden. Dat verklaart mee waarom kortgeschoolden sterk oververtegenwoordigd zijn onder langdurig werklozen en inactieven.
Om langer te werken
Het universele recht op waardig werk – dat bindende kracht kreeg met het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties (1966) – verplicht staten om binnen hun beschikbare middelen de voorwaarden te creëren waaronder mensen effectief en op gelijke wijze toegang krijgen tot waardige arbeid, ook wanneer zij zich in een kwetsbare positie bevinden. Er is, kortom, een plicht om werk te maken van een inclusieve arbeidsmarkt.
Dat vraagt om gelijktijdige actie op drie fronten: arbeidsaanbod (mensen in staat stellen te werken door opleiding, taalondersteuning en het wegwerken van drempels), arbeidsvraag (voldoende passende jobs en werkgevers die discriminatie tegengaan) en jobkwaliteit (veilige arbeidsomstandigheden, eerlijke lonen en ontwikkelingsmogelijkheden). Deze drie dimensies zijn onderling afhankelijk. Opleiding volstaat niet zonder passende jobs, en zelfs met competenties en vacatures blijft duurzame tewerkstelling uit wanneer de arbeidskwaliteit tekortschiet.
Toegepast op de Beleidsnota Werk 2024–2029 van de Vlaamse regering valt op dat het beleid sterk focust op het arbeidsaanbod. De nadruk ligt op het verhogen van de werkzaamheidsgraad door aanklampende begeleiding, beschikbaarheids- en controlevereisten, sanctionering en een brede inzet op opleiding en omscholing. Drempels zoals taalachterstand en mobiliteitsbeperkingen worden wel erkend, maar concrete en afdwingbare maatregelen blijven beperkt.
De Vlaamse regering focust op het verhogen van de werkzaamheidsgraad door aanklampende begeleiding, beschikbaarheids- en controlevereisten, en sanctionering.
De arbeidsvraag krijgt beduidend minder aandacht. Werkgevers worden wel aangesproken op hun verantwoordelijkheid om talent te benutten en kansen te creëren voor ondervertegenwoordigde groepen, maar beleidsinstrumenten die hen systematisch aanzetten om toegankelijke jobs aan te bieden of discriminatie te bestrijden, ontbreken grotendeels. De grootste spanning zit echter in het element van jobkwaliteit. Werkbaar werk wordt vooral benaderd als middel om uitval te voorkomen en langer werken te bevorderen, minder als voorwaarde voor inclusieve arbeidsdeelname.
Een normatieve omschrijving van kwalitatief werk ontbreekt, evenals bindende afspraken met werkgevers. De beleidsaanpak blijft beperkt tot sensibilisering, het verspreiden van goede praktijken en ondersteunende maatregelen. Die onevenwichtige focus dreigt te leiden tot intensieve activering zonder voldoende groei in passende en kwaliteitsvolle jobs. Hierdoor dreigen sommigen uitgesloten te blijven van arbeid, terwijl anderen terechtkomen in weinig kwaliteitsvolle of precaire jobs.
Milton Friedman
Gegeven die tekortkomingen in het overheidsbeleid rijst de vraag welke verantwoordelijkheid werkgevers dragen voor de realisatie van waardig werk. Ontslaat het beleidsfalen hen van hun eigen verantwoordelijkheid, of rust op hen een verantwoordelijkheid die voortvloeit uit hun positie als organisatoren van arbeid en poortwachters van arbeidsmarkttoegang? Fundamentele vragen over de rol van ondernemingen in de samenleving.
Werk maken van een inclusieve arbeidsmarkt is hoe dan ook geen exclusieve taak van overheden. Ondernemingen hebben bovendien zelf belang bij kwaliteitsvolle banen. Onderzoek toont aan dat arbeidskwaliteit, en in het bijzonder arbeidsinhoud, cruciaal is voor motivatie, retentie en voor het ontstaan van knelpuntberoepen. Ondernemingen organiseren werk, creëren banen en bepalen wie toegang krijgt tot arbeid en onder welke voorwaarden. Daarmee oefenen zij feitelijke macht uit over de verdeling van kansen en uitkomsten die met arbeid samenhangen.
Die verantwoordelijkheid kan niet worden herleid tot loutere naleving van juridische minimumnormen of tot vrijwillige maatschappelijke betrokkenheid. De dominante opvatting over de rol van ondernemingen, zoals verwoord door neoliberaal econoom Milton Friedman in de jaren zeventig, stelt dat de enige sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen is ‘om haar middelen aan te wenden en activiteiten te organiseren zodat de winsten toenemen’.
Alleen kosten en baten tellen dus mee die in marktprijzen of prestatie-indicatoren zijn uit te drukken. Ecologische schade, sociale ontwrichting en menselijke uitputting laten zich niet direct vertalen in financiële cijfers en worden afgewenteld op anderen of op de toekomst. De gevolgen van deze benadering zijn inmiddels zichtbaar. Wanneer winsten worden gecorrigeerd voor onderbetaling van arbeid in productieketens en voor milieuschade, bedraagt de werkelijke winst slechts een derde van de gerapporteerde winst.
Kapitaal opbouwen
Bedrijfsethicus Georges Enderle betoogt in Corporate Responsibility for Wealth Creation and Human Rights (2021) dat de klassieke focus op winstmaximalisatie niet alleen ecologisch en sociaal, maar ook economisch onhoudbaar is. Zijn alternatief, comprehensive wealth creation, erkent dat ondernemingen voor hun economische functie afhankelijk zijn van natuurlijk, economisch, menselijk én sociaal kapitaal, en dat hun primaire verantwoordelijkheid daarom is om deze kapitaalvormen duurzaam op te bouwen en te onderhouden. Wat in Friedmans benadering als externe effecten wordt beschouwd, betreft in werkelijkheid de vernietiging van deze kapitaalvoorraden.
Wat betekent dit nu voor de organisatie van arbeid? Wanneer werk structureel gepaard gaat met overbelasting, beperkte ontwikkelkansen of gezondheidsrisico’s, wordt menselijk kapitaal uitgeput in plaats van opgebouwd. Hetzelfde geldt voor het sociaal kapitaal wanneer mensen worden behandeld als vervangbare arbeidskrachten, zonder waardering of toekomstperspectief.
Ondernemingen die systematisch kiezen voor onzekere contracten, lage lonen, hoge werkdruk en beperkte ontwikkelingskansen, vernietigen menselijk en sociaal kapitaal in plaats van deze op te bouwen, en daarmee de basis voor hun eigen economisch kapitaal.
Door te bepalen wie toegang krijgt tot werk, onder welke voorwaarden en met welke perspectieven, bepalen ondernemingen rechtstreeks of menselijk en sociaal kapitaal wordt opgebouwd of uitgeput. Ondernemingen die systematisch kiezen voor onzekere contracten, lage lonen, hoge werkdruk en beperkte ontwikkelingskansen, vernietigen menselijk en sociaal kapitaal in plaats van deze op te bouwen, en daarmee ook de basis voor hun eigen economisch kapitaal.
Zonder betrouwbare instituties, een opgeleide beroepsbevolking en een gezonde samenleving is duurzame economische activiteit onmogelijk. Menselijk en sociaal kapitaal zijn publieke goederen. Hun vernietiging raakt niet alleen individuele ondernemingen maar het economisch systeem als geheel. Omdat ondernemingen voor hun functioneren afhankelijk zijn van publieke goederen, is hun verantwoordelijkheid ervoor is niet alleen moreel, maar ook economisch, betoogt Enderle.
Ze kunnen publieke goederen niet louter benutten zonder bij te dragen aan hun instandhouding. Anders maximaliseren ze hun private winsten door maatschappelijke kosten – zoals bijscholing, ziektekosten of sociale zekerheid – af te wentelen op de samenleving. Een vicieuze cirkel: naarmate publieke goederen verzwakken door onvoldoende private bijdragen, nemen publieke lasten en financieringsdruk toe, wat uiteindelijk de economische basis voor ondernemingen ondermijnt.
Wat op het eerste gezicht neutrale productiekeuzes lijken – wie wordt aangenomen, tegen welk loon, met welke contractvorm – zijn in feite distributieve keuzes, die niet als extern aan het productieproces kunnen worden beschouwd. Zij leggen arbeidsvoorwaarden vast en bepalen daarmee hoe werknemers binnen het productieproces functioneren. Onzekerheid, gebrek aan perspectief en beperkte autonomie kunnen betrokkenheid, motivatie en vaardigheidsontwikkeling ondermijnen, met mogelijk lagere productiviteit, minder innovatie, lagere kwaliteit en hogere kosten door verloop tot gevolg. Het bepaalt hoe productief en duurzaam werk kan zijn.
Uitsluiting van bepaalde groepen is geen distributieve keuze ná productie, maar een productiekeuze die bepaalt welk menselijk en sociaal kapitaal wordt opgebouwd dan wel vernietigt. Ondernemingen dragen voor deze keuzes verantwoordelijkheid als integraal onderdeel van hun economische functie.
Mensenrechten
Mensenrechten worden vaak begrepen als individuele claims gericht aan overheden, waardoor hun karakter als publieke goederen doorgaans buiten beeld blijft. Enderle beschouwt mensenrechten daarentegen als ethisch vereiste publieke goederen die een essentiële rol vervullen in comprehensive wealth creation. Publieke goederen worden gekenmerkt door non-rivaliteit en non-exclusiviteit.
Wanneer iemand rechten geniet, vermindert dat niet de beschikbaarheid ervan voor anderen, en in principe kan niemand ervan worden uitgesloten. Anders dan private goederen komen mensenrechten ten goede aan de samenleving als geheel. Hun realisatie vormt een noodzakelijke voorwaarde voor de opbouw van menselijk en sociaal kapitaal, en daarmee voor duurzame vermogensvorming.
Bedrijfsethicus Georges Enderle beschouwt mensenrechten als ethisch vereiste publieke goederen die een essentiële rol vervullen in comprehensive wealth creation.
Binnen dit kader hebben mensenrechten een dubbele status. Zij zijn intrinsiek waardevol, omdat zij uitdrukken wat een waardig leven minimaal vereist en niet onderhandelbaar is.
Tegelijk vervullen zij een instrumentele functie: hun effectieve realisatie draagt bij aan de ontwikkeling van menselijk en sociaal kapitaal en ondersteunt zo bredere maatschappelijke vermogensvorming, aldus Enderle. Het recht op waardig werk erkent net zozeer menselijke waardigheid en maatschappelijke participatie, als dat het bijdraagt aan de opbouw van menselijk kapitaal (via vaardigheden en inkomen), sociaal kapitaal (via sociale verbondenheid en vertrouwen) en economisch kapitaal (via productieve bijdragen).
Duurzame vermogensvorming
Als publieke goederen kunnen mensenrechten niet door marktinstellingen alleen worden gerealiseerd. Dan ontstaat immers een klassiek freerider-probleem: actoren kunnen profiteren zonder bij te dragen, waardoor het prijsmechanisme faalt. De totstandkoming en instandhouding van publieke goederen vereist collectieve actie. Ondernemingen maken deel uit van deze collectieve actie en dragen medeverantwoordelijkheid.
In lijn met de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (2011) betekent dit dat ondernemingen mensenrechten moeten respecteren en passende processen van human rights due diligence of ketenzorg moeten hanteren. Wanneer werkgevers systematisch toegang tot waardig werk beperken – via discriminerende selectie, precaire contracten of ongunstige arbeidsomstandigheden – ondermijnen zij niet alleen individuele rechten maar een publiek goed waarvan het economisch systeem als geheel afhankelijk is.
Ondernemingen kunnen zich niet beperken tot passieve naleving, maar moeten actief bijdragen aan het voorkomen, mitigeren en herstellen van mensenrechtenschendingen, en zo aan de instandhouding van de publieke goederen waarop duurzame vermogensvorming steunt.
Ondernemingen opereren in contexten van concurrentie, sectordynamieken en regelgeving die hun handelingsruimte beïnvloeden. Dat beperkt hun mogelijkheden, maar heft de werkgeversverantwoordelijkheid niet op. Economische druk of tekortschietend beleid rechtvaardigen geen volledige afwenteling van verantwoordelijkheid naar de overheid of naar individuele werknemers. Wanneer werkgevers aan de onderkant van de arbeidsmarkt systematisch inzetten op onzekere jobs met hoge werkdruk en beperkte ontwikkelingskansen, ondermijnen zij niet alleen het recht op waardig werk, maar ook hun eigen economische basis.
Duurzame vermogensvorming en respect voor mensenrechten staan hier niet tegenover elkaar, maar zijn wederzijds afhankelijk. Alleen wanneer overheden en werkgevers hun complementaire verantwoordelijkheden opnemen, kan het recht op waardig werk daadwerkelijk voor iedereen worden gerealiseerd.

