Vluchtelingenkamp in Griekenland
Een vluchtelingenkamp in Griekenland © Unsplash/ Julie Ricard
 

Migratie lijkt op een spreeuwenzwerm. Elke vogel stemt zich af op enkele nabije buren, en het geheel krijgt een patroon dat geen enkele vogel afzonderlijk draagt. 

Johan Wets, onderzoeksmanager migratie HIVA-Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (KU Leuven)

Op een rustige, droge valavond in een park of ergens buiten de stad is het in deze tijd van het jaar vaak te zien, een murmuratie. Er is iets betoverends aan de spectaculaire luchtshow van duizenden spreeuwen die tegelijk bewegen, zonder leider, zonder plan en toch in een zekere choreografie.

Migratiebewegingen zijn het resultaat van ontelbare lokale interacties, in omstandigheden die voortdurend veranderen. Wie probeert te voorspellen waar de zwerm heengaat, is eraan voor de moeite. Wie tracht het geheel te beheersen, verstoort het hele patroon. Toch is dat precies wat migratiebeleid al decennia probeert: beheersen wat zich onttrekt aan controle, voorspellen wat niet voorspelbaar is. Men beseft niet dat elke ingreep het systeem zelf herschikt. Elke poging tot controle verandert de voorwaarden van de volgende beweging.

De paradox is onvermijdelijk: hoe meer beheersing we nastreven, hoe instabieler het geheel wordt.

Ons migratiebeleid faalt niet toevallig. Migratiebeleid faalt structureel en dit omwille van verschillende redenen. De reden die hier aan bod komt, is de wijze waarop naar het beleidsthema ‘migratie’ gekeken wordt. Om te begrijpen waarom dit tot falen leidt, moeten we kijken naar de fundamenten van ons denken. Naar de manier waarop we menen te weten hoe de migratiedynamiek functioneert. Het migratiedebat krijgt al decennia vorm door een reeks impliciete aannames over rationaliteit, orde en bestuurbaarheid.

Ons migratiebeleid faalt niet toevallig. Migratiebeleid faalt structureel.

Een reeks denkers uit verschillende vakgebieden daagt die aannames uit. Opvallend genoeg hebben vier van de auteurs wiens gedachten dit essay mee hebben vormgegeven een Nobelprijs ontvangen, drie van hen in de economie.

Kenneth Arrow (1921-2017) liet zien dat zelfs perfecte regels onvolmaakte uitkomsten opleveren. Psycholoog Daniel Kahneman (1934-2024) toonde dat mensen op een systematische manier irrationele beslissingen nemen. Elinor Ostrom (1933-2012) bewees dat gemeenschappen wél in staat zijn tot duurzame, collectieve oplossingen wanneer ze de ruimte krijgen om die zelf te ontwikkelen.

Belgisch fysisch chemicus Ilya Prigogine (1917-2003) toonde dan weer aan dat orde niet het gevolg is van stabiliteit, maar juist kan ontstaan uit chaos. Hun ideeën laten toe om een denkkader te schetsen waarin de beperkingen van het huidige beleidsdenken over migratie zichtbaar worden en waarin de contouren verschijnen van een manier van handelen die meer recht doet aan de dynamische, adaptieve en levende realiteit.

Grenzen aan het lineaire denken

Nobelprijs of niet, uit de realiteit blijkt dat het denken van bovengenoemden in de praktijk niet breed gedragen is. Het klassieke beleidsdenken is gebouwd op een lineair wereldbeeld: als we A doen, zal de consequentie B zijn. Dat model werkt redelijk goed in gesloten, mechanische systemen, denk aan de fysica of praktische zaken zoals de logistiek. Maar het model wordt onbruikbaar zodra het wordt toegepast op een sociale realiteit zoals migratie.

Migratie is geen simpele reactie op prikkels. Het kan best bekeken worden als een levend weefsel van oorzaken en gevolgen, een samengaan van hoop, angst, informatie, verwachtingen, familie, technologie, grenzen, verhalen en kansen. Het is voortdurend in beweging en fundamenteel onvoorspelbaar. Daarom is de uitdaging voor beleidsmakers zo groot.

Migratie kan best bekeken worden als een levend weefsel, een samengaan van hoop, angst, informatie, verwachtingen, familie, technologie, grenzen, verhalen en kansen.

Daniel Kahneman beschrijft in Thinking, Fast and Slow hoe mensen zelden rationeel handelen zoals het economische model veronderstelt. We beslissen niet op basis van perfecte informatie, maar op basis van een samenspel van inductieve vuistregels, emotionele reacties en contextuele factoren. En we onderschatten systematisch de rol van toeval. We reconstrueren achteraf orde waar in werkelijkheid complexiteit heerst.

Beleidsmakers geloven dat meer data, betere modellen en scherpere monitoring de onzekerheden over migratie zullen wegnemen of verminderen. Maar geen enkel model kan een systeem vatten waarvan de componenten voortdurend van aard veranderen. Wat we meten, verandert door het meten zelf. Zo wordt beleid een labyrint van voorspellingen die zichzelf ontkennen of tegenspreken.

Emergentie

Wie migratie wil begrijpen, moet leren kijken als een complexiteitsdenker. Zoals Philip Ball in Why Society is a Complex Matter overtuigend laat zien, verschijnt orde in menselijke samenlevingen vaak spontaan, zonder centraal ontwerp of masterplan. Stedelijke groei, modetrends, verkeersstromen, financiële markten – ze gehoorzamen geen bevelen, maar ontvouwen zich als patronen van voortdurende interactie.

Wat we waarnemen, komt voort uit die spontane dynamiek. Patronen bestaan niet omdat iemand ze bedacht heeft, maar omdat interactie zelf regels voortbrengt, zoals bij de zwermende spreeuwen uit de inleiding. Dat is emergentie. Migratie krijgt vorm in de kruising van talloze lokale beslissingen, circulerende informatie, familiale netwerken, economische kansen, politieke spanningen, geweld, vervolging, klimatologische verschuivingen, enzovoort. Geen enkele factor kan het geheel op zichzelf verklaren.

In die zin gedraagt migratie zich bijna Darwiniaans. Niet de sterksten blijven in beweging, maar de best aangepasten.

Wanneer beleid ingrijpt – met nieuwe visaregels, grensakkoorden of detentieprogramma’s – verandert niet alleen de context, maar ook het fenomeen zelf. Gesloten grenzen doven de motivatie niet, maar verschuiven de route. Visaregels temperen de vraag niet, maar herschikken de strategie. Het systeem evolueert, past zich aan, vindt zichzelf heruit. Menselijke reactie verloopt nooit lineair. Nieuwe paden ontstaan, andere netwerken worden versterkt, en communicatietechnologieën en -strategieën verschuiven mee.

De Europese deals met Turkije of Libië lijken efficiënt op de korte termijn: de migratiebewegingen via die regio’s krompen. Maar migratie verplaatste zich – via Niger, via de Canarische Eilanden, via de Balkan. De stroom verdwijnt niet, maar hervormt zich. De dynamiek tussen beleidsmaatregel en menselijke aanpassing lijkt op een natuurlijke feedback-lus, elke poging tot fixatie wekt een tegenstroom op.

Grenzen aan voorspelbaarheid

De wereld wordt gekenmerkt door schokken en verstoringen. Van pandemieën en oorlogen, tot klimaatcrises en plotselinge technologische sprongen. Niet alleen complexiteit speelt ons parten, maar ook radicale onzekerheid.

Libanees schrijver Nassim Nicholas Taleb noemt dat het domein van de zwarte zwanen: zeldzame, onvoorspelbare gebeurtenissen met enorme impact. Het zijn gebeurtenissen die buiten elk model vallen, maar achteraf onze wereld herscheppen, zoals 9/11 dat was. Ook migratiepatronen worden voortdurend door zulke zwarte zwanen herschreven: een oorlog in Syrië, een pandemie die grenzen sluit, een plotselinge droogte, het economische instorten van een land of simpelweg een sociaal mediaplatform dat nieuwe informatie verspreidt over routes en kansen.

Het probleem is niet dat we de onzekerheid omtrent migratie niet kunnen beheersen. Het probleem is dat we blijven doen alsof dat wel kan.

Het probleem is niet dat we die onzekerheid niet kunnen beheersen. Het probleem is dat we blijven doen alsof dat wel kan. Daardoor ontwerpen we systemen die fragiel zijn, die breken zodra de werkelijkheid buiten de bandbreedte van het model treedt.

Talebs alternatief is antifragiliteit: structuren die niet bezwijken onder stress, maar er sterker door worden. Waar fragiele structuren breken en robuuste structuren slechts standhouden, groeien antifragiele structuren door tegenslag. Taleb beschouwt volatiliteit, onzekerheid en verstoring niet als bedreigingen, maar als noodzakelijke bronnen van informatie en vernieuwing.

Een migratiebeleid dat antifragiel zou zijn, zou niet inzetten op perfecte voorspellingen, maar op leervermogen. Het zou kleine, lokale experimenten toelaten in plaats van centrale blauwdrukken. Het zou ruimte laten voor aanpassing, redundantie, en fouten als bron van kennis. Wie een beleid ontwerpt voor een wereld van gemiddelden, faalt in een wereld die in de extremen leeft. Juist daarom moet beleid zich niet vastklampen aan stabiliteit of voorspelbaarheid, maar zich voorbereiden op het onverwachte.

Onmogelijkheid

Waarom blijven we dan vasthouden aan deze manier van denken? Het antwoord ligt gedeeltelijk in onze cognitieve architectuur. Kahneman toonde al dat we de neiging hebben om onze overtuigingen te beschermen tegen tegenspraak. We zoeken bevestiging in plaats van begrip, en verwarren overtuiging met kennis.

Migratiebeleid is vaak het product van wat Julia Galef in The Scout Mindset de warrior mindset noemt: de drang om gelijk te krijgen, in plaats van gelijk te hebben. Het publieke debat over migratie en het beleid dat daaruit voortkomt, zijn doorgaans gevormd door een strijd-logica. We moeten ‘de grenzen verdedigen’, ‘de instroom stoppen’, ‘de controle herwinnen’. Die taal verraadt een oorlog tegen de complexiteit zelf en zet het denken vast in een vijandbeeld.

De scout mindset vergt het tegenovergestelde: epistemische bescheidenheid, nieuwsgierigheid en het vermogen om onzekerheid te verdragen. In het migratiebeleid zou dat betekenen dat we stoppen met doen alsof er één juiste oplossing bestaat, en beginnen met het ontwikkelen van leerprocessen, feedback en aanpassingsvermogen.

We moeten het begrip orde herzien.

De democratie zelf vormt een volgende hindernis. In een democratie botsen uiteenlopende waarden en belangen – en zoals Kenneth Arrow aantoonde, bestaat er geen beslissingsmechanisme dat alle democratische voorkeuren tegelijk coherent kan verenigen. Dat is zijn onmogelijkheids-theorema. Er is geen stemprocedure die iedereen tevredenstelt, geen beleid dat tegelijk veilig, humaan, efficiënt en populair is. Migratiebeleid wordt daardoor onvermijdelijk een tussenzone van teleurstelling. Geen enkele beslissing wordt door iedereen gedragen.

Wat uit het voorgaande naar voren komt, is dat migratiebeleid – en eigenlijk beleid tout court – structureel faalt wanneer het de neiging heeft complexiteit te reduceren tot lineariteit, tot een reeks oorzaken en oplossingen die zich netjes laten plannen en controleren. Dat betekent niet dat we niets kunnen doen. Wel dat we het begrip orde moeten herzien.

Ilya Prigogine, die in 1977 de Nobelprijs voor de scheikunde won, wist dat orde niet verdwijnt in chaos, maar er juist uit ontstaat. In Orde uit chaos laat hij, samen met filosoof Isabelle Stengers zien dat natuur, leven en geschiedenis worden gevormd door onomkeerbare processen die gefundeerd zijn in toeval en creativiteit. Orde kan juist ontstaan uit die instabiliteit. Systemen die openstaan voor hun omgeving, die energie en informatie uitwisselen, kunnen ver van evenwicht spontaan nieuwe vormen van organisatie voortbrengen.

In die zin vormt de hogergenoemde antifragiliteit de sociale pendant van Prigogine’s vaststelling. Beide beschrijven hoe orde en veerkracht ontstaan dankzij verstoring. In een tijdperk van permanente verandering is het dan ook niet efficiëntie die systemen redt, maar veerkracht. De obsessie met optimalisatie, met ‘doeltreffend beleid’ en ‘nultolerantie’ maakt structuren broos. Veerkracht vraagt om redundantie, diversiteit en flexibiliteit.

Knooppunten van steden, markten en netwerken

Deze herdefiniëring van orde heeft directe gevolgen voor hoe beleid wordt opgevat. Vanuit een scout mindset verandert de rol van beleid en verschuift zij van sturen naar luisteren en van ontwerpen naar observeren. Niet omdat we niets zouden moeten doen, maar omdat ‘doen’ in complexe contexten iets heel anders betekent. Beleid is niet beperkt tot een reeks ingrepen, maar is veeleer een vorm van navigatie. Het vereist een open systeem van leren, waarin kennis voortdurend uit de praktijk terugvloeit naar het ontwerp.

In de ecologie spreekt men in dat verband van adaptive governance, bestuur dat zich aanpast aan veranderende omstandigheden door feedback en voortdurende bijsturing. Toegepast op migratiebeleid betekent dit dat beslissingen tijdelijk, experimenteel en contextgebonden mogen zijn, dat falen wordt begrepen als informatie en dat beleid expliciet het vermogen ontwikkelt om zichzelf te herzien.

Die adaptieve logica impliceert een andere vorm van organiseren. Socioloog Saskia Sassen sprak in The Global City al decennia geleden over ‘the local embeddedness of global processes’. Ze stelt dat globalisering niet ontstaat vanuit nationale bevelscentra, maar in de knooppunten van steden, markten en netwerken, waar mensen elkaar ontmoeten en nieuwe circuits vormen. Voor de opvang van migranten zijn het steden, ngo’s, buurten en gemeenschappen die in de praktijk de infrastructuur dragen voor opvang, integratie, arbeid en onderwijs, enzovoort.

Nationale overheden reageren vaak te traag of te afstandelijk om effectief te zijn. Hier sluit het werk van Elinor Ostrom aan, een Amerikaanse politiek wetenschapper die in 2009 als eerste vrouw de Nobelprijs voor economie won. Zij toonde aan dat duurzame orde vaak ontstaat uit wat zij polycentrische governance noemde: meerdere, overlappende centra van besluitvorming die zich lokaal aanpassen en van elkaar leren. Net als bij haar onderzoek naar gemeenschappelijke hulpbronnen geldt voor migratie: wat werkt, groeit van onderop.

Het migratiebeleid wordt dan een ecosysteem van relaties waarin leren en samenwerking centraal staan. Feedback fungeert niet als correctiemechanisme, maar als informatiebron. De essentie van migratie is niet wanorde, maar emergentie. Het is een vorm van orde die we vaak niet herkennen, omdat zij niet ontworpen is. We zien chaos omdat we zoeken naar een plan dat er niet is. Onder die ogenschijnlijke wanorde schuilt niettemin een andere logica: die van interactie, aanpassing en co-evolutie.

Daniel Kahneman verwoordde dit scherp: ‘We zijn blind voor onze eigen blindheid. We hebben weinig idee van hoe weinig we weten.’ Migratie confronteert beleid met die epistemische grenzen. Dat is geen teken van zwakte, maar een bron van helderheid. Misschien moeten we migratie niet langer beschouwen als een probleem dat opgelost moet worden, maar als een proces dat begrepen moet worden.

In plaats van te streven naar beheersing kan beleid worden opgevat als een adaptieve praktijk die ruimte laat voor feedback, experiment en zelforganisatie. Grand Policy betekent in de context van complexiteitsdenken niet het opleggen van stabiliteit, maar het scheppen van voorwaarden waarin instabiliteit productief kan worden. Dat vergt de politieke moed om af te zien van de fictie van controle.

Het opent ook een ander perspectief: dat falen niet het einde van beleid is, maar een noodzakelijke stap in een voortdurend leerproces. De structurele mislukkingsgeschiedenis van het migratiebeleid is niet alleen een verhaal van onvermogen, maar ook van mogelijkheden tot transformatie. Alleen systemen die uit evenwicht raken, kunnen nieuw leven voortbrengen, liet Prigogine zien.

De voorspelbare kostenvraag

Een van de meest voorspelbare reacties op het voorstel voor een flexibeler en antifragiel migratiebeleid is dat het te veel zou kosten. Neem bijvoorbeeld het opvangbeleid. Een buffercapaciteit zou te duur zijn, omdat ze niet permanent gevuld is.

Dat argument berust op een verkeerd uitgangspunt: de idee dat capaciteit die soms leegstaat inefficiënt is. In werkelijkheid is het omgekeerde waar. Elk systeem dat met onzekerheid moet omgaan – zoals de gezondheidszorg, de brandweer, het elektriciteitsnet of voedselvoorraden – ziet overcapaciteit niet als verspilling, maar als een structurele voorwaarde voor stabiliteit. Niemand beweert dat een leeg ziekenhuisbed een mislukte investering is, of dat brandweerwagens die niet permanent uitrukken een verliespost vormen. De waarde ligt in de beschikbaarheid, de mogelijkheid om een schok op te vangen. Migratiebeheer is daarin geen uitzondering.

Elk systeem dat met onzekerheid moet omgaan, ziet overcapaciteit niet als verspilling, maar als een structurele voorwaarde voor stabiliteit.

Dat een opvangcapaciteit soms leeg staat, is geen teken van inefficiëntie maar van veerkracht. Als je een systeem maximale efficiëntie oplegt en alle ademruimte wegneemt, wordt het fragiel, met als gevolg dat elke verstoring uitgroeit tot een crisis. En crises zijn altijd duurder dan buffers.

De grootste kost van een asielbeleid is niet de eventuele buffercapaciteit, maar de afwezigheid ervan: noodopvang in hotels, improvisatie-infrastructuur, juridische vertragingskosten, dossiers die zich opstapelen, politiek brandjes blussen, maatschappelijke verontwaardiging die telkens opnieuw het vertrouwen in het beleid ondermijnt. Dat zijn de verborgen kosten van een systeem dat enkel werkt zolang er niets gebeurt.

Alleen is dat niets niet de regel, maar de uitzondering. ‘Efficiëntie is fragiliteit in vermomming’, parafraseer ik Taleb. Een opvangsysteem dat streeft naar een permanente benutting van 100 procent is boekhoudkundig strak, maar systeemlogisch levensgevaarlijk. Goedkoop zoals iemand zonder verzekering goedkoop leeft: tot het fout gaat. 

Mythe van Sisyphus

Een verstandig migratiebeleid probeert niet langer een strak, gesloten systeem te bouwen dat alleen werkt bij mooi weer. Het bouwt een systeem dat schokken kan absorberen zonder zichzelf te verliezen. Een systeem dat leert, dat ruimte heeft, dat niet instort bij een piek, maar die omzet in informatie. Buffercapaciteit is geen luxe. Het is de materiële vorm van antifragiliteit: een investering die voorkomt dat men telkens opnieuw moet betalen voor dezelfde instorting.

We kunnen het migratiebeleid moeilijk onttrekken aan de indruk dat hier Sisyphus-arbeid wordt verricht: volharden in een handeling waarvan de uitkomst bij voorbaat al vaststaat. Elke nieuwe maatregel – soms breed uitgesmeerd in de pers – is een poging om grip te krijgen op een hardnekkig probleem. Telkens opnieuw blijkt die grip tijdelijk.

Albert Camus stelt in De mythe van Sisyphus dat wij ons Sisyphus als een gelukkig mens moeten voorstellen, omdat zijn waardigheid ligt in het lucide bewustzijn van zijn absurde taak. Dat is niet echt een gedachte waarvan beleidsmakers enthousiast van worden. De vraag is dan ook niet of we de steen de berg op moeten blijven duwen, maar of we de beleidsuitdagingen correct interpreteren.

Wie migratie begrijpt als een emergent fenomeen, als een complex adaptief systeem, verschuift het beleidsdenken van beheersing naar begrip, van controle naar afstemming. De implicatie voor beleid is eenvoudig maar fundamenteel: stop met migratie te behandelen als een last die moet worden tegengehouden, en ontwerp beleid dat meebeweegt met haar dynamiek in plaats van er vergeefs tegenin te gaan.

Abonnement De Gids

Neem een abonnement op De Gids!

Aanbevolen

‘In de klas zie je waar er oorlog woedt’

Van wc’s ontstoppen tot een kind in crisis kalmeren: schooldirecteur Maya* moet iedere dag weer de handen uit de mouwen steken om de schooldag...
   22 juli 2026

70 jaar na mijnramp in Marcinelle is herinnering aan...

70 jaar geleden kwamen 262 mijnwerkers om het leven in de grootste mijnramp in de Belgische geschiedenis. Hun nagedachtenis blijft hoognodig, zeggen...
   29 juni 2026

Gennez voert in alle sectoren praktijktesten in tegen...

Vanaf december komen er praktijktesten in alle sectoren. Dat maakte de Vlaamse regering afgelopen week bekend. Tot nu gebeurde dat slechts in...
   15 juni 2026

‘Het geweld tegen migranten aan de Europese buitengrenzen...

Terwijl de situatie voor migranten aan de Europese buitengrenzen steeds gewelddadiger wordt, verhardt...
   11 juni 2026