Tegelijk schuiven op internationaal vlak nieuwe spanningen en verschuivingen naar voren. Samen zorgen ze voor een jaar waarin veel in beweging is en weinig vanzelfsprekend blijft.
De beperking van de werkloosheiduitkeringen in de duur is momenteel een feit. Mensen hebben recht op maximaal twee jaar werkloosheidsuitkering. In januari werden de eerste mensen uitgesloten. Wie niet meteen een job vindt, moet het onverminderd zonder uitkering stellen. Bij economische hoogconjunctuur is dat enkel een probleem voor wie sowieso al op weinig steun kan rekenen van de publieke opinie.
Niet enkel het armoederisico zal stijgen, maar ook de middenklasse zal moeten inleveren zodra een sociaal risico zich voordoet.
Maar beleid maak je niet voor goede tijden. Je maakt het voor de momenten waarop het tegenzit. De komende jaren zullen we het volgende voorbeeld maar al te vaak zien: een vijftigplusser die ontslagen wordt, met twee jaar recht op een werkloosheidsuitkering. Wat als die daarin geen job vindt? Een realistisch scenario voor wie op leeftijd is, ondanks jaren ervaring. Dan moet hij niet alleen de jaren zonder uitkering overbruggen, wellicht zonder OCMW-steun, want als je een beetje spaargeld hebt, kom je niet in aanmerking voor een leefloon, maar bovendien schuift zijn pensioenleeftijd mee op, gewoon omdat hij ‘te lang’ zonder werk zat.
Dit beleid straft mensen dubbel. Niet enkel het armoederisico zal stijgen, maar ook de middenklasse zal moeten inleveren zodra een sociaal risico zich voordoet.
Wrang
Belangrijke hervormingen die er nog zitten aan te komen zijn de pensioenhervorming en een eerste aanval op de automatische index, via de centenindex. De pensioenhervorming hakt er stevig in. Vroeger op pensioen gaan, wordt afgestraft. Via een bonusmalussysteem worden werknemers beloond als ze na de wettelijke pensioenleeftijd blijven werken en bestraft wanneer ze vroeger stoppen, met percentages die vanaf 2040 oplopen tot vijf procent per jaar.
Die beloning is eerder beperkt want de pensioenbonus van vroeger wordt afgeschaft. Tegelijk worden gelijkgestelde periodes zoals langdurige werkloosheid en swt sterk ingeperkt en tellen ze vanaf 2027 slechts gedeeltelijk mee voor het pensioen van zodra ze meer dan veertig procent van de loopbaan uitmaken.
Ook ambtenaren zien hun pensioen dalen, omdat de berekening ervan de volledige loopbaan in acht neemt, in plaats van enkel de laatste tien jaar. Ondertussen worden uitzonderingsregimes voor zware beroepen afgebouwd en verschuift de mogelijkheid van vervroegd pensioen voor veel mensen op naar later.
We zitten met een rechtse regering waar een linkse partij nauwelijks haar stempel op gedrukt krijgt.
De ‘centenindex’ voelt als een typisch Belgisch compromis aan: wrang. Officieel blijft de automatische loonindexering bestaan, maar voor wie boven de 4.000 euro bruto verdient (of 2.000 euro voor uitkeringen) wordt de stijging geplafonneerd tot een vast bedrag, bijvoorbeeld 80 euro bij een index van 2 procent.
Zo belanden we in 2026 met een regering die haar sociale ambitie nauwelijks toont, terwijl haar daden steeds vaker de hardvochtige kant op wijzen. We zitten met een rechtse regering waar een linkse partij nauwelijks haar stempel op gedrukt krijgt. De oppositie is nagenoeg monddood en de vakbonden gelden als paria. Het enige positieve is dat ik in de vakbondsdienstverlening wel niet snel zonder werk zal zitten, met wat er op ons afkomt.

