In de vijfentwintig jaar waarin ik in mocht zetelen in het Dagelijks Bestuur van het ACV, waarvan twaalf jaar als voorzitter, ontmoette ik bijzonder veel mensen. Met hun eigen grote en kleine verhalen. Ontmoetingen waarbij ik, als vakbondsvoorzitter, geprivilegieerd was omdat mensen mij hun verhaal wilden vertellen en me hun zorgen toevertrouwden. Omdat ik daar een trait d’union mocht zijn, een koppelteken. Met, voor, en door de vakbond.
Marc Leemans (62)

Trait d’union, ik houd van dat woord. Ook al bevat het in het Frans uitgerekend geen koppelteken. Ik houd nu eenmaal van wat woordspielerei, en union vind ik in het Engels dan weer een enorm mooi woord voor vakbond. Le trait d’union. De lijn of streep van de vakbond. De karaktertrek van onze vakbond, het ACV. Die was, is en blijft Zien, Oordelen, Handelen.
Die verbindende ontmoetingen van de afgelopen vijfentwintig jaar zijn te waardevol om neer te schrijven in anekdotiek. Dat zou getuigen van weinig respect, en van veel irrelevantie. Daarom hanteer ik hier een ander zoeklicht, een reflectie op de samenleving en op de lijn van onze vakbond, het ACV. Als trait d’union en vanuit twaalf jaar voorzitterschap. Twaalf jaar, in twaalf terug- én vooruitblikken.
1
Onze werf is de wereld
Veel ACV-werk blijft onzichtbaar omdat het Europees en internationaal gebeurt. Met afnemende interesse van media. Toch neemt het belang ervan net toe. In eigen land zijn politici elke dag bezig met hun overleving als partij, regeringslid, of als verkozene. Dat zorgt vaak voor negatieve energie, of voor veel spektakel- en symboolpolitiek.
Wat in de wijde wereld gebeurt, tegen een achtergrond van hectische ontwikkelingen en globale tektonische verschuivingen – met op kop de versnellende opwarming van het klimaat – beïnvloedt radicaal het heden en de toekomst, zeker voor een klein land als België.
Het ACV investeerde altijd zeer sterk in het internationale werk. Van oudsher engageerden de opeenvolgende ACV-voorzitters zich ervoor, dat maakt deel uit van het ACV-dna. Enerzijds omdat het lot van ons kleine België inmiddels meer bepaald wordt door Europese en internationale ontwikkelingen dan door het politieke gekissebis op nationaal en regionaal niveau.
Maar ook omdat die macro-niveaus steeds belangrijker worden voor ons eigen niveau, zelfs als het gaat om de bescherming en bevordering van werknemersrechten.
Lange tijd zagen we onze investering in Europa en in het internationale syndicalisme een soort van ontwikkelingshulp, voor het Zuiden en het Oosten. In Europa om de mediterrane landen mee te trekken, van Griekenland tot Portugal, en nadien ook voor Oost- en Centraal-Europa. Wereldwijd ging het vooral om de bevordering van werknemersrechten in Afrika, Azië en Latijns-Amerika.
Niet enkel uit solidariteit, maar ook uit welbegrepen eigenbelang om sociale dumping uit die landen te vermijden. Die doelstellingen blijven, maar meer dan ooit hebben we Europese en internationale hefbomen nodig om werknemersrechten hier bij ons te verbeteren en te beschermen.
Europese en internationale sociale rechten werken ook voor de Belgische context steeds meer als laatste verdedigingsgordel tegen sociale afbraak.
Op nationaal vlak staan arbeidsbescherming, sociaal overleg, en sociale zekerheid almaar meer onder druk, en is het almaar moeilijker om vooruitgang te realiseren. Europese en internationale sociale rechten werken dan als laatste firewall, verdedigingsgordel, tegen de afbraak van rechten op nationaal vlak. En ook vaker als booster voor nieuwe nationale sociale rechten.
Even goed is internationale actie nodig omdat werkgevers en economische en financiële lobby’s daar evenmin stilzitten. Neem nu het stakingsrecht. Dat zit verankerd in Europese en internationale verdragen, met als kern een conventie van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO). Het stakingsrecht is een noodzakelijke voorwaarde voor vrije, collectieve onderhandelingen, want zonder dat zijn onderhandelingen slechts een collectieve bedeltocht, zoals het Bundesarbeitsgericht in West-Duitsland al treffend oordeelde in 1980.
Wat gingen werkgevers internationaal doen? Vanaf 2012 begonnen ze de vaste rechtspraak van de IAO te contesteren. Ze gingen dwarsliggen wanneer we om vroegen om landen te veroordelen die het stakingsrecht miskennen, of willen terugschroeven.
Dat illustreert wat een toekomstgericht en modern syndicalisme moet zijn: een gecoördineerde syndicale strategie op diverse beleidsniveaus. Sommigen noemen dat een multilevel-aanpak. Ik verkies de term interlevel-syndicalisme, de diverse niveaus grijpen op elkaar in. Die idee zit vervat in de oude slogan‘Think global, act local’.
Maar intussen weten we dat het andersom net zo belangrijk is, ‘Think local, act global’. Om zowel de firewalls tegen sociale en ecologische achteruitgang, als de hefbomen voor vooruitgang te beveiligen en te versterken.
2
Sjoemelssoftware
Nog een perfecte illustratie van die interlevel-aanpak is de loonvorming. Halfweg mijn voorzitterschap, in 2017, verstrengde in België de zogenaamde Zweedse regeringscoalitie-Michel de loonnormwet. Die wet bepaalt hoeveel marge er boven de automatische loonindexering is om de lonen te doen stijgen. Ze ketent de onderhandelingen over loonkostverhogende elementen, op interprofessioneel, sectoraal en bedrijfsniveau. Voor de periode 2023-2024 gold er zelfs een zeronorm voor loonsverhogingen.
De aberratie is dat men dan maar bij wet een andere marge in het leven roept voor eenmalige consumptiecheques. Die men dan nog koopkrachtpremie doopt. Wellicht omdat de loonnormwet verbiedt om te onderhandelen over, jawel, koopkracht.
De loonnormwet kwam er op eenzijdige patronale bestelling, en maakt een zeer betwistbare vergelijking met de loonkost en de loonkostevolutie in de buurlanden. Ze houdt immers geen enkele rekening met onze hogere productiviteit, en maakt obstinaat negatie van de patronale bijdrageverlaging door de tax shift van de regering-Michel.
Daarenboven blijft de wet volslagen blind voor de Belgische fiscale koterijen en loonsubsidies. Sjoemelsoftware, heb ik dat toen genoemd, en velen met mij.
Al jaren vecht het ACV samen met de andere vakbonden tegen die verstrenging van de loonnormwet, zonder dat er politiek beweging kwam, evenmin met de regering-De Croo. Zelfs niet nadat we via een massaal ondertekende petitie in 2022 een hoorzitting verkregen in de Kamer. Bijgevolg hebben we een procedure gestart bij de IAO, die effectief leidde tot een veroordeling van België. Nu trekken we naar het Europees Comité voor de Sociale Rechten om België ook Europees een bolwassing te geven.
De loonnormwet verbiedt vakbonden om te onderhandelen over koopkracht. Ze kwam er op eenzijdige patronale bestelling.
Verschillende werkgevers beginnen te beseffen dat die loonblokkering onhoudbaar is, en dat een nieuwe regering niet anders kan dan ze op te heffen. Dus gooien ze het over een andere boeg. Dan moet ook de automatische loonindexering op de schop, klinkt het. Die zou strijdig zijn met de vrijheid van onderhandelen, en dus ingaan tegen de internationale arbeidsnorm.
Dat is nonsens. De loonindexering in de privésector is gebaseerd op onderhandelde cao’s, waardoor overigens nog een klein aantal sectoren geen automatische indexering kent, en dus zullen we zonder aarzelen opnieuw naar de IAO en het Europees Comité trekken voor de handhaving van die indexering, als dat nodig blijkt.
Maar dat was de voorbije jaren niet de enige inbreuk op het fundamentele recht op vrije onderhandelingen. Eerder hadden we al de ingreep in de jongerenlonen met de startersjobs en met het opzijzetten van de sectorale barema’s voor de flexijobs. Nu moet de Nationale Arbeidsraad adviseren over een nieuw regeringsplan dat langdurig werklozen in specifieke zones wil opnemen in een tewerkstellingsprogramma met een loon dat niet hoger mag zijn dan het interprofessionele minimumloon.
Zo worden we om de haverklap geconfronteerd met nieuwe, hybride non-statuten. Van digitale platformen, over verenigingswerk, tot gemeenschapsdienst in Vlaanderen, telkens worden onderhandelde cao-lonen opzijgezet. Binnenkort komt er bovenop nog een federale samenlevingsdienst, ook al zonder arbeidsovereenkomst.
Al ben ik blij dat we vorig jaar – door goed overleg met Unisoc, de werkgeverskoepel van de social profit – konden terugkeren naar een normaal arbeidscontract voor verenigingswerkers. Bovendien ben ik tevreden dat de liberale partijen, voor de uitbreiding van hun ideologische fetisj van flexijobs naar veertien nieuwe sectoren, bereid waren om de prijs te betalen van een terugkeer naar de cao-lonen, de horeca daargelaten.
Om de haverklap worden we geconfronteerd met nieuwe, hybride non-statuten om het werknemersstatuut heen.
Voor de digitale platformen blijft het dan weer muurvast zitten. Niet enkel uit ideologische fixatie aan liberale kant, maar ook omdat de lobby van bedrijven als Uber en Deliveroo daar kind aan huis is. Finaal zal ook hier Europese en internationale normering helpen. Een Europese richtlijn is in de maak, en nationale rechtbanken kunnen niet om de vigerende internationale en Europese normen heen.
Aan zo’n Europese hefboom kunnen we ons op dezelfde wijze optrekken voor het minimumloon. Na jaren volgehouden Europese syndicale actie kwam er een Europese richtlijn voor een adequaat minimumloon. Die richtlijn gaat niet alleen over het basisrecht op een fatsoenlijk loon, maar net zo goed over de zorg die een overheid moet dragen voor het recht op collectief onderhandelen, op voet van gelijkheid, en is dus samen te lezen met de nieuwe Europese aanbeveling voor de versterking van de sociale dialoog.
Wie durft in dat verband beweren dat de loonnormwet de onderhandelingsmacht van een van de partijen aan de tafel niet totaal ondermijnt? Als we pleiten voor prijzencontrole, dan hangt de rechterzijde onmiddellijk in de gordijnen, samen met de economische lobby’s. Maar als het gaat over de controle van de prijs van arbeid via de loonnormwet, vinden ze het de normaalste zaak van de wereld.
3
Welvaartsvastheid lukte lang
De loonnormwet lokte een dodelijke kettingreactie uit. Ze heeft het overleg over tweejaarlijkse interprofessionele akkoorden (IPA’s) kaltgestellt. De sjoemelsoftware is inherent zelfdestructief. Eerst liet ze enkel minieme marges toe, vandaag zelfs geen enkele loonmarge meer.
Na 2017 was al snel geen interprofessioneel akkoord meer mogelijk was in de Groep van Tien. De patronale bank bleef eisen dat wij, de vakbonden, dat wettelijke dictaat tot het onze moesten maken via een cao in de Nationale Arbeidsraad. Daarvoor heeft geen enkele vakbond enig mandaat, en zou het nooit een mandaat kunnen krijgen.
Na de verstrengde loonnormwet was al snel geen interprofessioneel akkoord meer mogelijk was in de Groep van Tien.
Maar bekijken we het niet te zwart? De loonnormwet heeft toch niet verhinderd dat er in 2021 in de Nationale Arbeidsraad een mooie cao kwam om het minimumloon in drie stappen te verhogen. Begin 2023 kwam er dan nog een cao die de fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer veralgemeende.
Close, but no cigar. Eerlijkheid gebiedt te vermelden dat die cao’s er enkel konden komen omdat de overheid bereid was de volledige rekening te betalen. Dankzij de zeronorm voor lonen zitten werkgevers in een zetel om een volledige compensatie te bekomen van de overheid voor alle loonkostverhogende afspraken, op voorwaarde natuurlijk dat de federale regering die wil honoreren.
Met het zieltogende tweejaarlijkse loonoverleg ging ook het tweejaarlijkse overleg over de welvaartsvastheid van de sociale uitkeringen ter ziele. Werkgevers wilden een akkoord over de besteding van de enveloppe die daarvoor uitgetrokken is, uitdrukkelijk koppelen aan een akkoord over de loonnorm, met inbegrip van een belofte van de vakbonden over ‘sociale vrede’. Het is schrijnend.
Met het zieltogende tweejaarlijkse loonoverleg ging ook het tweejaarlijkse overleg over de welvaartsvastheid van de sociale uitkeringen ter ziele.
Met de welvaartsenveloppe hebben we sinds 2006 mooie dingen kunnen doen, in alle takken van de sociale zekerheid en ook voor mensen in de sociale bijstand. Omdat het ACV er een prioriteit van maakte om de laagste minima in de sociale zekerheid op te trekken tot de Europese armoedenorm werd dat sinds 2016 zelfs nog mooier. We moesten natuurlijk werken met een gesloten enveloppe, dus stapten we af van een verhoging van de minima met een lineaire 2 procent en gingen we meer doen voor gezinshoofden (met inbegrip van alleenstaande ouders) dan voor alleenstaanden, en meer voor alleenstaanden dan voor samenwonenden.
Voor de believers van de individualisering van sociale rechten was dat ongetwijfeld vloeken in de kerk, maar het liet wel toe om een fikse verbetering te bereiken, zeker in de werkloosheidsverzekering, voor gezinnen en personen die met een sociale uitkering moeten rondkomen. Al was daar ook momentum voor omdat de VBO-leiding toevallig onder de indruk was gekomen van het verhaal dat een alleenstaande moeder in de miserie hen pas had verteld.
Toen er voor de jaren 2021-2024 geen akkoord meer mogelijk bleek onder sociale partners kwam dat dossier ruw en ongepolijst op de regeringsbank te liggen. Met alle gevolgen van dien. De regering was zelf niet in staat om veel keuzes te maken, behalve dan om te knippen in het budget voor volledig werklozen. Dat moest in 2023 40 miljoen euro inleveren door de verhoging van de minima terug te brengen tot 1,3 procent waar de regering aanvankelijk sprak van 3,5 procent voor gezinshoofden, 2,41 procent voor alleenstaanden en 2 procent voor samenwonenden.
Dat doorbrak de gedifferentieerde aanpak van de zes jaren daarvoor, die bijvoorbeeld voor alleenstaande vrouwen met kinderen intussen wel een verhoging van de minimumuitkering met 10,9 procent boven de indexering had opgeleverd.
Ongetwijfeld nu wel tot grote vreugde van de voorstanders van radicale individualisering. Daarenboven trekt de federale regering nu ook een streep trekt door de geplande vierde stap voor de verhoging op 1 januari 2024 van de minima buiten welvaartsvastheid, tenzij dan voor het minimumpensioen.
4
Schoppen naar beneden
Onderschat de druk niet die er dreigt te komen op de sociale zekerheid. En dus op al wie het ongeluk heeft werkloos of ziek te worden, of op wie het geluk heeft oud te worden en uitkijkt naar een landingsbaan, SWT of pensioen.
De druk op de sociale uitgaven loopt samen met een andere kwalijke evolutie, de verrechtsing in het politieke discours. Niet-actieven worden verguisd als sociaal profitariaat, als werkonwillig tuig. Dat leger werklozen moet je uithongeren door hun uitkering af te nemen, of te verlagen, of je moet hen verplichten te werken voor hun uitkering, wat je vandaag in Vlaanderen ziet met de gemeenschapsdienst slash dwangarbeid.
Ouderen moeten vooral langer aan het werk blijven, dankzij een afbouw van alle ontsnappingsroutes, SWT’ers moeten verguisd worden als potverteerders van de sociale zekerheid. Ik kan er persoonlijk van meespreken. Als je daar de bodem hebt bereikt, kun je beginnen schrapen aan zieken en invaliden.
Al is inmiddels nog een lager dieptepunt bereikt. De politiek, vooral de Vlaamse, vond een nieuw, liberaal doelwit: de huisvrouw. Als je N-VA en Open VLD laat doen, worden zij, op straffe van verlies van fiscale en sociale voordelen, naar de arbeidsmarkt gejaagd.
De tsunami van transities die op ons afkomt, confronteert iedereen vroeg of laat met werkonzekerheid. Ook wie vandaag werk heeft.
Nu kun je zeggen: ‘Ik ben aan het werk, mij belangt het niet aan’, maar vroeg of laat raakt het iedereen. De tsunami van transities die op ons afkomt, confronteert iedereen vroeg of laat met werkonzekerheid. Is het niet persoonlijk, dan wel via je partner of kinderen.
Niet enkel mensen zonder arbeidscontract worden geviseerd, maar ook schorsingen met recht op een uitkering, bij ziekte, bij tijdkrediet, bij thematisch verlof of bij tijdelijke werkloosheid. Neem alleen al de uitkering bij tijdelijke werkloosheid. Het ACV vroeg onmiddellijk na de uitbarsting van de COVID-19-pandemie om die uitkering tot 70 procent van het loon op te trekken, en forceerde tevens een supplement per dag.
Wat blijft daar nu van over? 60 procent vanaf 1 januari 2024, met in het beste geval een extra compensatie door de werkgever. Daarbovenop ligt er druk op tijdelijk werklozen om de periode waarin ze tijdelijk zonder werk worden gezet door de werkgever, actief te benutten voor een opleiding.
Het is het klassieke populistische verhaal, telkens in nieuwe varianten, van schoppen naar beneden. Zelfs enkele academici lopen rond met het volstrekt onwetenschappelijke waanidee dat verarming van niet-actieven spontaan tot tewerkstelling leidt. Dat gaat voorbij aan de werkelijke oorzaken van niet-activiteit, en aan de verantwoordelijkheid van wie en wat mee van die sociale problemen aan de basis ligt. Dat kan gaan over het tijdelijk of definitief, onvoorbereid dumpen van werknemers, of over een rekrutering die de neus ophaalt voor sollicitanten, omwille van huidskleur, handicap, hoofddoek of een hoge leeftijd.
Er is niks mis met actieve begeleiding van zieken en invaliden voor een terugkeer naar het werk, op voorwaarde dat het vertrekt uit een positieve aanpak, in plaats van uit sanctionering.
Maar dat kan evengoed gaan over een slechte werkorganisatie die mensen ziek maakt, of niet in staat stelt om oud te worden op het werk. Over de onwil om werk aan te passen aan de draagkracht van mensen. Of over wie nalaat te investeren in de kwaliteit van jobs, de combinatie van arbeid en privéleven, de kinderopvang, en het openbaar vervoer.
Wie schrikt dan nog van de sterk stijgende ziektecijfers? Van het toenemende aantal langdurig zieken? Van burn-out als een nieuwe pandemie? Toch haalt de rechterzijde liever telkens opnieuw hetzelfde blame the victim-riedeltje boven. En herhaalt ze de stigmatiserende mantra van culpabilisering en sanctionering, dat ze al afratelt voor de volledig werklozen.
Er is niks mis met actieve begeleiding van zieken en invaliden voor een terugkeer naar het werk, op voorwaarde dat het vertrekt uit een positieve aanpak, zowel voor werkgevers als werknemers, in plaats van uit sanctionering. Daar zijn werkgevers het voor een keer eens met ons, al zou het pas mooi zijn als ze ook de ziekmakende factoren in het werk aanpakken.
Met de aanbeveling van 8 november jongstleden van de Nationale Arbeidsraad is er nu wel een lichtpunt. Dat schrijft voor om in sectoren en bedrijven te werken aan burn-outpreventie. Het is een verre uitloper van het enige interprofessionele akkoord dat ik sloot, dat voor 2017-2018.
5
Terug naar afname?
Een ongeluk komt zelden alleen. De nationale impasse van het sociaal overleg en de loze spektakelpolitiek komen samen met de revival van een bikkelhard saneringsbeleid. Binnenlands dreigt de verrechtsing en de almaar sterkere roep om minder overheid, minder bijdragen, minder belastingen – maar wel met méér steun aan bedrijven, ten koste van andere overheidsuitgaven – en Europees dreigt de terugkeer naar een strakkere begrotingsdiscipline voor lidstaten.
Die strakke begrotingsdiscipline werd uitgedokterd in de slipstream van de financiële crisis, conform de harde neoliberale lijn van de Ecofin-filière binnen de Europese instellingen. Vervolgens leidde dat tot een Europese staatsschuldencrisis. Het Griekse protest tegen de besparingslogica werd stoïcijns genegeerd, en ook de grote manifestaties in Spanje brachten weinig kentering in de Europese aanpak.

Dat veranderde wel toen de gele hesjes Frankrijk op zijn kop zetten. Toen pas begon het te dagen dat de harde aanpak alleen maar een anti-Europees populisme voedde en dat het wel iets flexibeler mocht. Niet in het minst omdat de begrotingsdiscipline toekomstgerichte investeringen begon af te knellen. Maar de budgettaire teugels werden pas met de COVID-19-uitbraak gevierd. Dat kreeg nog een uitloper omwille van de hoge, oorlogsgedreven energieprijzen, maar ook dat lijkt nu weer wat achter de rug.
Vanaf 2024 wil Europa de vijs opnieuw aandraaien. Maar omwille van onze sterk gestegen overheidsschuld, ons hoge begrotingstekort en de stijgende kosten van de vergrijzing, zal België zeker opnieuw aangemaand worden om een zware saneringsinspanning te leveren.
Meer dan ooit zullen de haviken druk zetten op de uitgaven, nu er bovenop de schuld- en saldonorm een uitgavennorm zit aan te komen. Met vooral druk op wat ze passieve uitgaven noemen, met name de publieke en collectieve diensten, en de sociale zekerheid. Zo willen ze budgettaire ruimte vrijmaken voor de investeringen die nodig zijn voor de ecologische omslag, de digitale transitie en de strategische autonomie.
In het beste geval komen wat meer middelen vrij voor de gebouwen van de collectieve diensten en voor een energiebesparende renovatie daarvan, maar dan ten koste van de middelen voor de mensen in die gebouwen. Wie ‘sociale uitgaven’ zegt, weet dat het mes gezet zal worden in de sociale uitkeringen, de pensioenen, de zorg, het onderwijs, en in alle publieke en collectieve diensten die al zo zwaar werden verwaarloosd de afgelopen jaren.
Op 12 december manifesteerde het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) in Brussel voor een Europa dat niet hervalt in de stommiteiten van een blinde sanering, mijn laatste manifestatie als voorzitter.
6
Het overleg dood?
De loonnormwet is niet de enige factor die het overleg in de Groep van Tien – ooit het zenuwcentrum van het federale overleg – bemoeilijkt, en er finaal toe leidde dat grote akkoorden uitblijven. Er is de sterkere polarisatie, die ook binnensluipt in het sociaal overleg. Elk van de organisaties krijgt het moeilijker om intern tot een breed mandaat te komen, en er is weinig politieke animo om te ijveren voor een akkoord onder sociale partners.
Sommige politici geven zelfs de indruk liever geen akkoord te willen, om zelf in het zonnetje te kunnen staan. Minstens toch met de politieke eisen, niet zozeer met resultaten.
De regering helpt niet altijd door het sociaal overleg te misbruiken om politiek ambetante dossiers te dumpen.
De regering helpt ook niet altijd door misbruik te maken van de overlegcircuits om politiek ambetante dossiers te dumpen. Het makkelijke werk knappen ze graag zelf op, met zo weinig mogelijk overleg. Maar dossiers waar ze niet uit geraken, dumpen ze net zo graag in het sociaal overleg. Nadien verwijten ze de sociale partners onvermogen.
Dan klinkt het vaak dat ons overlegmodel dood is. Dat doet me denken aan die quote van Mark Twain: ‘De berichten over mijn dood zijn schromelijk overdreven.’ Het sociaal overleg is veel meer dan wat (niet) gebeurt in de informele Groep van Tien.
Er gebeurt veel overleg in andere interprofessionele gremia, waar dag na dag wel akkoorden worden gesloten, de Nationale Arbeidsraad voorop. Maar wat in dat voorbarige overlijdensbericht vooral onderbelicht blijft, is dat het zwaartepunt van ons sociaal overleg zich van oudsher in de sectoren bevindt. In de meeste sectoren is men nog wel degelijk in staat om tot akkoorden te komen, ondanks de blok aan het been van de loonnormwet, en dan is er nog het overleg op bedrijfsvlak – al ontbreekt dat jammer genoeg nog in de vele kmo’s.
Maar ook op het niveau van de bedrijven zien we verontrustende ontwikkelingen. Het debacle bij Delhaize – waar men denkt de sociale vrede te kunnen herstellen met gerechtelijke bevelschriften, deurwaarders en politie-interventies – is ongezien. Van de Ryanairs van deze wereld zijn we al wat gewoon, maar toch niet van een bedrijf als Delhaize, met een lange traditie van constructief overleg.
Men schrikt dan dat het ook aan vakbondskant verhardt. Vervolgens probeert men in het kader van de hervorming van het Strafwetboek ook nog eens het demonstratierecht preventief aan banden te leggen, lijnrecht tegen het advies van het Federale Instituut voor de Rechten van de Mens.
7
Half eenheidsstatuut
Sommigen zullen het de ‘laatste stuiptrekkingen’ noemen, maar het interprofessionele overleg heeft het afgelopen decennium toch nog serieus geleverd. Journalisten schreven al dat het eenheidsstatuut het belangrijkste wapenfeit in mijn voorzitterschap was. Ik wil ze geen ongelijk geven, al was de komst daarvan in 2013 de voltooiing van het volgehouden werk van het ACV, vanaf de jaren negentig.
Dat eenheidsstatuut was ons dossier, de werkgevers waren al twintig jaar bezig over de onderwaardering van technische beroepen, maar wilden niet tot het besef komen dat dit misschien ook wat te maken had met het feit dat technisch geschoolden vaak in het zwaar benadeelde arbeidersstatuut terechtkwamen.
Uiteindelijk moest het Grondwettelijk Hof ons komen helpen, en vervolgens moesten wij de regering helpen. Zonder akkoord onder sociale partners geraakte die er niet uit, zelfs niet toen alle alarmsignalen afgingen omdat de deadline naderde die het Hof had gesteld.
Het ACV is er bijzonder trots op dat het aan de arbeiders eindelijk gelijke opzegtermijnen kon bieden, net als de afschaffing van de carensdag, de eerste dag ziekte zonder loon of uitkering. Maar tien jaar later hadden we gehoopt om verder te staan.
De wet op het eenheidsstatuut viert op 26 december 2023 zijn tienjarig jubileum, terwijl heel wat deeldossiers zonder oplossing blijven. Interprofessioneel is dat voor bedienden het geringere vakantiegeld, en voor arbeiders het gewaarborgd loon bij ziekte onder de 3.083 euro bruto per maand (de doelgroep van de werkbonus). Sectoraal is dat de ongelijke behandeling in cao’s.
Bij de politiek en werkgevers lijkt de interesse voor een verdere gelijktrekking volledig weg. Ze willen alleen schadeclaims vermijden voor de verschillen in aanvullende pensioenen. Laten we hopen dat we dit dossier de komende jaren een nieuwe boost kunnen geven, gezien de zware rekruteringsproblemen op de arbeidsmarkt, in het bijzonder voor technisch geschoolden.
Ik blijf hopen dat we op een dag niet meer moeten spreken van arbeiders of bedienden, maar simpelweg van medewerkers.
8
Corona-booster voor het overleg
In die twaalf jaar kwam er een tweede belangrijk momentum, de COVID-19-crisis. Daaruit ontstond het gemeenschappelijke aanvoelen dat we er samen door moesten, met respect voor ieders problemen, en het besef bij de overheden, vooral de federale, dat dit vroeg om een aanpak samen met de sociale partners. Tijdelijk sloten de ondernemingen waar dat kon, maar met inkomensbescherming, en hielden we open wat moest, maar met zo weinig mogelijk risico’s op besmetting.
Het ACV kon al snel met de tijdelijke regering-Wilmès een uitkering van 70 procent van het geplafonneerde brutoloon regelen voor tijdelijk werklozen, met daarbovenop een dagsupplement. In de Groep van Tien, de Nationale Arbeidsraad en de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, aangevuld door sectorale protocollen, namen we onze verantwoordelijkheid voor de quarantaines, vaccinaties, het telewerk en de risicovrije werkomgevingen.
In onze achteruitkijkspiegel zien we vandaag ook de tekortkomingen, maar tegelijk zag ik hoe vaak het Belgische model van overleg internationaal en Europees tot schoolvoorbeeld werd gesteld. Spijtig dat die revival van korte duur bleek.
Het was voor ons allemaal een hectische periode. Een hallucinante periode ook, als je terugdenkt aan de lege straten en marktpleinen, het gedoseerde supermarktbezoek, de avondklok, de quarantaines, mondkapjes, of opgedrongen smetvrees, maar ik onthoud nog drie andere zaken.
Tijdens de COVID-19-crisis zag ik hoe vaak het Belgische model van overleg internationaal en Europees tot schoolvoorbeeld werd gesteld. Spijtig dat die revival van korte duur bleek.
Ten eerste hoe we de Belgische welvaartsstaat moeten blijven prijzen, mede door dat unieke samenspel van automatische stabilisatoren: de indexering, de cao’s (zonder mogelijkheid van eenzijdige opt-out), de tijdelijke werkloosheid, de inkomenswaarborg bij ziekte, en de progressieve fiscaliteit (vaak vergeten als stabilisator). Door de stijgende inflatie en de samenloop van werkloosheid en COVID-19-ziekte werkte dat nog sterker dan na de financiële crisis van 2008.
Ten tweede hoe we, meer dan toen, ook de gaten in onze sociale bescherming vaststelden. Plots zagen we heel wat mensen die we niet met ons unieke systeem van tijdelijke werkloosheid konden helpen, vooral door het toenemende aantal atypische arbeidsrelaties, sterk geconcentreerd bij jongeren.
Al bij al hebben we zowel bij de federale overheid, als bij de Gewesten en Gemeenschappen voor velen een tijdelijke oplossing kunnen bekomen. Voor anderen dan weer niet.
Dat brengt me bij een derde vaststelling. Al snel na het uitbreken van de pandemie zagen velen, zoals Bob Dylan zong, andere tijden aanbreken. Lessons learned. Wat moet voortaan anders? De tijd was rijp voor een nieuw economisch en maatschappelijk model.
Vandaag stel ik vast dat van dat enthousiasme weinig overblijft. Terwijl we uitgerekend nu, met de ervaring van het crisisbeheer, lessen moeten trekken uit die polycrisis. Voor een sluitender, inclusiever model van sociale bescherming, en om beter bestand te zijn bij een volgende crisis.
9
Werkgelegenheid draait niet om lage lonen
Het jammere is dat werkgevers en regeringen het hele overleg over de bewaking en bevordering van ons concurrentievermogen en de werkgelegenheid toespitsen op loonmatiging. Tot en met de regelrechte loonblokkering vandaag, en dankzij de sjoemelsoftware in de loonnormwet wellicht ook in de volgende onderhandelingsronde(s).
Nog afgezien van de bewust foute meting, is daardoor nauwelijks enig debat mogelijk over andere factoren die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid.
Eind jaren negentig leken werkgevers dat wel in te zien. Toen was sprake van een trias: lonen, werkgelegenheid, en opleiding. Nadien kwam daar in het sociaal overleg innovatie bij als vierde as, eerst met de innovatie-cao’s, daarna met de projecten voor innovatie van de arbeidsorganisatie. Maar sindsdien versmalde de bandbreedte van het overleg sterk, terwijl we die net moesten verbreden.
Het is de kwestie om een rechtvaardige klimaattransitie op de overlegagenda van de sociale partners te krijgen, dat is de voorbije twaalf jaar onvoldoende gelukt.
Zeker ook wat betreft de ecologische transitie, die onlosmakelijk verbonden is met de noodzaak van een rechtvaardige transitie. Wat is op dat vlak het acquis van de sociale partners? Sinds 2009, in de nasleep van de financiële crisis, kennen we de ecocheques, en begin dit jaar was er de cao over de fietsvergoeding. Intussen wordt het openbaar vervoer, door de niet-aanpassing van cao nr. 19, steeds duurder voor werknemers die niet onder de derdebetalersregeling vallen. Vanaf februari 2024 stijgen de prijzen opnieuw met 5,9 procent.
De conferentie over een rechtvaardige transitie van 8 en 9 november, een initiatief van minister van Klimaat Zakia Khattabi (Ecolo), had een momentum kunnen zijn om onze rol als sociale partners te herbekijken. Zeker nu we sinds de laatste conferentie van de IAO de tripartite resolutie hebben over een rechtvaardige transitie, en in Europa is er een breed politiek draagvlak na de aanbeveling over een rechtvaardige transitie van de Europese Raad vorig jaar.
Vooralsnog geeft de werkgeversbank niet thuis, ze vrezen dat zo’n overleg al te zeer hun verantwoordelijkheid uitdaagt. Dat is jammer, zelfs onbegrijpelijk, als de Verenigde Naties het al niet meer hebben over climate warming, maar over climate boiling. Dat vereist, met andere woorden, dringende actie, en wel op vele niveaus, vanzelfsprekend ook van de sociale partners.
Het is de kwestie om dat op de overlegagenda te krijgen, en dat is de voorbije twaalf jaar onvoldoende gelukt. Samen met de inertie van onze micro-politiek, met de Vlaamse regering al lang als blok aan het been. Gelukkig hebben we nog Europa.
10
Waan van de dagjespolitiek
Opnieuw illustreert dat het politieke kortetermijndenken. Kort en kortzichtig. Dikwijls heerst zelfs geen dagjespolitiek meer, volgens de waan van de dag, maar eerder instant-politiek, de laatste tweet/X achterna.
Kiezers zijn zeer volatiel geworden. Net als in andere landen fragmenteert ons politieke landschap. Het centrum krimpt, zelfs democratisch radicaal-rechts kalft af. De levensduur van partijvoorzitters en individuele politici wordt almaar korter, waardoor partijen en individuele politici in overlevingsmodus gaan.

Alle begrip daarvoor, maar paniek is een slechte raadgever. Dat zorgt voor veel ondoordacht kopieergedrag, vooral van de agenda van extreemrechts. Daarbij vergeten ze dat een kopie zelden zoveel succes kent als het origineel. Nu ja, Vlaams Belang blijft dermate vuil en ranzig, dat zoiets zelfs niet in de koudste winter ondergesneeuwd geraakt.
Die combinatie van verrechtsing en kortzichtig paniekvoetbal heeft geleid tot een grotere afstand tussen politiek en vakbond, aan weerskanten. Politici willen vakbonden instrumenteel inpassen in hun overlevingsstrategie op korte termijn, terwijl vakbonden een eigen agenda hebben, ook op de langere termijn.
Vaak botst dat. Dat is niet meer dan normaal, maar wordt altijd uitvergroot. De media smullen er gretig pap van. Conflict, polarisatie, leidt tot meer clicks, en klik-aas levert meer advertentie-inkomsten op.
Die evolutie baart zorgen voor de volgende ‘moeder van alle verkiezingen’. Het is een zorg die we in heel Europa zien. Daarbij gaat het al lang niet meer alleen over extreemrechts, maar ook over het geflirt van andere partijen met extreemrechts, en de wegkwijnende weerstand tegen coalities met extreemrechts.
11
Staatsmisvorming
In het kielzog daarvan komt in onze eigen contreien telkens de roep naar Vlaamse autonomie op de proppen. In alle mogelijke geuren en smaken. Overigens gaat het daarbij niet meer enkel om verlossing van de federale overheid, maar net zo goed van Europa.
Ooit zagen Vlaams-nationalisten in Europa een hulpmiddel voor het seperatisme, want België zou door een samenspel van Europeanisering en interne staatshervorming verdampen, maar intussen blijkt uit het stemgedrag van Vlaams Belang en N-VA hoe ze Europa zien als een sta-in-de-weg voor hun asociale, rechtse agenda. Net zoals ze moeite hebben met rechtbanken die af en toe herinneren aan grondwettelijke, Europese en internationale rechten.
Nuchter bekeken zijn er wellicht enkele redenen om bepaalde bevoegdheden te regionaliseren of te communautariseren, zoals er net zo goed materie is om te her-federaliseren. Alleen krijg je ondertussen niet meer uitgelegd dat de gewone Vlaming beter wordt van nog een defederalisering.
Zonder krachtige federale leiding tijdens de coronacrisis hadden we enkel de rampzalige toestand gezien in onze woonzorgcentra. Hoeveel meer ondersteuning zouden gezinnen hebben, als de kinderbijslag federaal was gebleven? Presteert De Lijn zoveel beter dan de NMBS? Is er geen huizenhoog tekort aan sociale woningbouw? Ellenlange wachtlijsten, van de kinderopvang tot het zorgbudget?
Werd het sanctioneringsbeleid geregionaliseerd om Vlaamse dwangarbeid in te voeren, onder het pseudo van pedagogische gemeenschapsdienst? Is het netjes om de sociale huisvesting te misbruiken om huisvrouwen naar de arbeidsmarkt te jagen?
12
Een euro is een euro
Ik hoopte twaalf jaar te kunnen afsluiten met een schone kers op de taart, een belastinghervorming die meer rechtvaardigheid brengt. Het mocht niet zijn, ondanks onze jarenlange inzet en campagnes. Ondanks de grondige en vrij evenwichtige voorbereiding door minister van Financiën Vincent Van Peteghem (cd&v).
Het is niet dat er niks is gebeurd. We zijn erin geslaagd om de belastingen en bijdragen op lagere lonen serieus omlaag te trekken, maar dat werk moesten we doen op een te smalle rijstrook. Daardoor zitten we nu in de opstopping van te zware promotievallen.
Op enkele donkerblauwe uitzonderingen na beseft de politieke wereld dat de mathematische vanzelfsprekendheid, ‘een euro is een euro’, ook een politieke vanzelfsprekendheid moet worden.
De speerpunteis van het ACV voor een volwaardige meerwaardebelasting bleef zodanig taboe voor de liberalen dat ze onder de regering-Michel nog liever een begin van vermogensbelasting doorslikten, de effectentaks. Belangrijk is dat nu ook dat probleem van fiscale onrechtvaardigheid breed wordt erkend. De volgende regering kan er niet omheen.
Op enkele donkerblauwe uitzonderingen na beseft de politieke wereld dat de mathematische vanzelfsprekendheid, ‘een euro is een euro’, ook een politieke vanzelfsprekendheid moet worden. Burgers pikken niet langer dat rijken en bedrijven vrijuit gaan, terwijl gewone werknemers de lasten en inleveringen torsen.
Wie had enkele jaren geleden durven denken dat we naar een internationaal minimumtarief voor vennootschappen zouden gaan? Ook daar werden we geholpen door de OESO en door Europa.
Manipulatie
Maar ten gronde blijven we zitten met een zwaar scheefgetrokken situatie, met een wanverhouding tussen arbeid en kapitaal. In het zog daarvan kennen we een veel te grote inkomens- en vermogensongelijkheid. Internationaal bekeken wordt die altijd maar grotesker, met een enorme concentratie van inkomens en vermogens bij een kleine elite.
Dat zorgt voor zowel marktmanipulatie, als politieke manipulatie. Ook media en artificiële intelligentie zitten in de handen van enkele zeer grote commerciële ondernemingen. Dat zijn sterke katalysatoren om nog meer grip te krijgen op de regelgeving, met als bijkomend risico dat menig mondiaal oligarch er niet vies van is om te wheelen en dealen met dictaturen. Noch voelen ze zich gehinderd door schendingen van fundamentele arbeidsnormen om zich verder te verrijken.
Ik kijk ernaar uit om in het restant van mijn beroepsloopbaan als trait d’union te kunnen blijven bijdragen aan die wereldwijde strijd voor de fundamentele rechten van werknemers.
Het ACV zal ook in de samenleving van morgen die rol blijven spelen. Voortaan met een stuurvrouw aan boord. Met het roer in de handen van voorzitter Ann Vermorgen blijft het ACV zijn standvastige koers varen, op basis van Zien, Oordelen en Handelen. Blijven werken aan verbinding tussen mensen. Om te komen tot een sociaal, duurzaam, inclusief, rechtvaardig en vredevol samen-leven, met trait d‘union. Vaar-wel!

