De franjes daargelaten, luidt artikel 23 van onze Grondwet:
Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden, inzonderheid:
- het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;
- het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand;
- het recht op een behoorlijke huisvesting;
- het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;
- het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing;
- het recht op gezinsbijslagen.
Meer dan één politieke partij wil paal en perk stellen aan dit artikel. Rechters kunnen op basis daarvan immers democratisch tot stand gekomen wetten onderuit halen. Laat dat net de bedoeling zijn van grondwetten: het zijn uiterst weloverwogen teksten, die ons ervoor behoeden dat een meerderheid in het parlement over een nacht ijs wetten aanneemt die ingaan tegen belangrijke principes waarover minstens voorheen maatschappijbrede consensus bestond.
Een parlementaire meerderheid kan zichzelf de vernieling inrijden. Zo geschiedde al eens dichtbij ons een goede negentig jaar geleden, ik hoop het in 2026 niet in te veel landen te aanschouwen. We kunnen grondwetten in deze tijden maar beter koesteren.
Aanzienlijke achteruitgang
Moet artikel 23 eeuwig in steen gebeiteld blijven? Niet noodzakelijk. Ik citeerde het hierboven, zodat iedereen zich een mening kan vormen over welke principes we desnoods overboord kieperen. Zelf hou ik onder meer nogal vast aan de billijke arbeidsvoorwaarden en de billijke beloning. Nuttige grondslagen voor een sociaal rechtvaardige samenleving, niet? Hoe dat te rijmen valt met de plannen van de regering om de bodem te slaan uit de rechtsbescherming van deeltijdse werknemers, blijft vooralsnog onopgehelderd.
De memorie van toelichting, ofwel den uitleg, bij het wetsontwerp dat de regering hierover eerstdaags in het parlement indient, zal hopelijk verder reiken dan ‘iemand vond die bescherming niet meer nodig voor gepensioneerde werknemers, en dan hebben we het gemakshalve maar helemaal afgeschaft’.
Gesteld dat er in het parlementaire debat geen ernstige motivering komt waarom deeltijdse werknemers voortaan met een gewaarborgd minimum maandloontje van 215 euro hun plan moeten te zien trekken om voldoende uren bijeen te sprokkelen, zou het dan verbazen dat het Grondwettelijk Hof beslist dat de nood aan meer flexibiliteit voor het handvol gepensioneerde, deeltijdse werknemers, in het licht van de billijke arbeidsvoorwaarden en de billijke beloning van artikel 23 van de Grondwet niet opweegt tegen de aanzienlijke achteruitgang in die arbeidsvoorwaarden en beloning van mogelijk een miljoen deeltijdse werknemers?
Een parlementaire meerderheid kan zichzelf de vernieling inrijden.
Hoe zou artikel 23 aangepast moeten worden om de vrije baan te geven aan dergelijke capriolen? Een achteruit-principe in de Grondwet opnemen? Of, als het na 3 uur ’s nachts in een begrotingsbespreking is beslist, dan is het sowieso goed? Met het huidige artikel 23 riskeert de regering – excuus: het parlement – inderdaad dat het Grondwettelijk Hof nog zal ingrijpen in democratisch tot stand gekomen wetten. Op wie richten we onze pijlen best? Op de regering en het parlement, op artikel 23, of op de rechters van het Grondwettelijk Hof?
Gelieve niet op de pianist te schieten, bestaat daarover nog consensus?

