Het Arbeidshof in Brussel © WikiCommons

De arbeidsrechtbanken en -hoven kennen een lange en ondergewaardeerde geschiedenis. Nochtans kent België daardoor, in vergelijking met de buurlanden, een goed functionerend, sterk systeem van arbeidsrechtspraak.

Jasper Van de Woestijne, Onderzoeker Instituut voor Rechtsgeschiedenis (Universiteit Gent)

In november 1956 verscheen in De Gids op Maatschappelijk Gebied de bijdrage van een zekere Servatius Herman Scholl, getiteld De Gentse werkrechtersraad. De oudste van België (1810-1859).

De in Nederlands Limburg geboren Scholl (1916-1968) was een geëngageerde geestelijke – onder meer proost van de Katholieke Werklieden Bond van Turnhout (tegenwoordig Raak) – maar hij was ook doctor in de geschiedenis. Deze dubbele pet, gecombineerd met een vlotte pen, maakte hem een pionier op het vlak van de geschiedenis van de arbeidersbeweging in België.

De Franse Revolutie had de gilden en de ambachten afgeschaft. Daardoor ging hun rol om geschillen op de werkvloer te beslechten, verloren.

De focus van Scholls uitvoerige oeuvre – over de arbeidersbeweging in West-Vlaanderen, Gent of de Kempen – lag, hoe kan het ook anders, bij de christelijke zuil. Voor het elfde nummer van de 47ste jaargang van De Gids op Maatschappelijk Gebied, richtte hij als eerste Nederlandstalige auteur zijn peilen op de geschiedenis van de werkrechtersraden. Die raden zijn weinig bekend, maar vormden de directe aanleiding tot de arbeidsgerechten die we vandaag in België kennen. 

Lyon

De geschiedenis van de arbeidsrechtspraak in België begint bij de zuiderburen. Begin 19de eeuw beklaagden de zijdefabrikanten in de Franse stad Lyon zich erover dat hun industrie door vele geschillen werd geteisterd. Dit was een rechtstreeks gevolg van de Franse Revolutie. De Revolutie had de gilden en de ambachten afgeschaft, die tot op dat moment alle aspecten van het economisch leven reguleerden. Door de afschaffing ging de rol van de gilden om geschillen op de werkvloer te beslechten, verloren.

In theorie moesten die voortaan door de gewone rechtbanken worden behandeld, maar die hadden geen kennis van het arbeidsleven. Daarom vroegen de Lyonezen aan Keizer Napoleon een gespecialiseerde instantie, die door en voor henzelf zou worden georganiseerd: de conseil de prud’hommes, letterlijk een ‘raad van wijze lieden’. Hun verzoek kreeg gehoor.

De Lyonezen vroegen aan Keizer Napoleon een gespecialiseerde instantie, die door en voor henzelf zou worden georganiseerd: de conseil de prud’hommes.

Ook andere steden in het toenmalige Franse Keizerrijk die met gelijkaardige problemen te kampen hadden, zagen heil in zo’n raad. De instantie verspreidde zich razendsnel en bereikte zo ook de uithoeken van het Rijk. Onder invloed van de bekende textielbaron Lieven Bauwens kreeg Gent in 1810 een ‘werkrechtersraad’ toebedeeld, zoals de instantie in het Nederlands werd genoemd. In 1813 volgde Brugge. Deze twee raden bleven gewoon verder functioneren tijdens de Nederlandse periode (1815-1830) en overleefden het ontstaan van België. 

Het Gerechtelijk Wetboek van 1970

De wetgever van de nieuwe staat beperkt zich echter niet tot het status quo. De werkrechtersraden werden zodanig nuttig geacht dat er systematisch nieuwe werden opgericht: in de eerste helft van de 19de eeuw vooral in Oost- en West-Vlaanderen, de centra van de textielindustrie, nadien voornamelijk in het Waalse kolen- en staalbekken.

Vanaf de 20ste eeuw kregen ook Brabant, Limburg en Luxemburg werkrechtersraden. In de jaren zestig werd beslist, in het kader van de grootschalige gerechtelijke hervormingen, om de werkrechtersraden om te toveren in de arbeidsrechtbanken en arbeidshoven die vandaag nog steeds actief zijn. Met de inwerkingtreding van het Gerechtelijk Wetboek in 1970 was deze transformatie voltooid. 

Het belang van deze ontwikkeling kan niet onderschat worden. Heel wat waardevolle principes die de arbeidsrechtspraak van vandaag kenmerken, gaan terug op de werkrechtersraden. Een inzicht in de totstandkoming van die beginselen is cruciaal om over de toekomst ervan te nadenken.

De arbeidsrechtspraak met zijn bij­­zondere kenmerken staat regelmatige onder politieke druk, vanuit besparingsoverwegingen.

Dat is geen overbodige luxe. De arbeidsrechtspraak met zijn bij­­zondere kenmerken staat regelmatige onder politieke druk, vanuit besparingsoverwegingen. In 2023 nog had toenmalig minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open VLD) het plan opgevat om de arbeidshoven te integreren in de hoven van beroep.

Generalistische rechters

Dat brengt ons meteen bij het eerste belangrijke kenmerk: het bestaan van afzonderlijke arbeidsrechtbanken op zich. Vanuit theoretisch oogpunt is dat geen evidentie. Arbeidsovereenkomsten zijn contracten en geschillen over contracten worden in het merendeel van de gevallen behandeld door de gewone rechtbanken.

Waarom is dit bij arbeidsovereenkomsten anders? Dat is volledig te danken aan de zijdefabrikanten in Lyon. Zij wezen er begin 19de eeuw op dat het van belang was dat de rechter op de hoogte was van de eigenheden van de werkvloer, de gewoonten van de industrie en de productieprocessen. De gewone, generalistische rechters kwamen vaak vanuit een heel andere achtergrond en hadden deze kennis niet.

Toen zich doorheen de 20ste eeuw een heus arbeidsrecht ontwikkelde, werden de werkrechtersraden de experten in deze materie, die op hun beurt bijdroegen aan de ontwikkeling van de rechtstak. Het parlement besliste in 1910 bovendien om deze specialisatie naar twee niveaus te verheffen: voortaan waren er ook werkrechtersraden van beroep actief, per provincie. 

Dat alle arbeidsgeschillen in de jaren zestig niet werden geïntegreerd in één grote arrondissementsrechtbank, is te danken aan de arbeidersbeweging, verpersoonlijkt door syndicalist Louis Major (BSP).

In de jaren vijftig en zestig hing de gespecialiseerde arbeidsrechtspraak even aan een zijden draadje. Charles Van Reepinghen, de professor die de regering had aangeduid om het Gerechtelijk Wetboek uit te werken, wilde de behandeling van arbeidsgeschillen integreren in één grote arrondissementsrechtbank, naast alle andere burgerlijke en strafrechtelijke conflicten.

Dat dit niet is gebeurd, is te danken aan verzet van de verzamelde arbeidersbeweging, vooral verpersoonlijkt door syndicalist en toenmalig minister van Arbeid Louis Major (BSP). In zijn visie was het arbeidsrecht, en bij uitbreiding het ‘sociaal recht’, zo’n belangrijke rechtstak dat die autonome rechtbanken verdiende. Majors wens werd werkelijkheid: in 1967 werden de werkrechtersraden en werkrechtersraden van beroep getransformeerd tot respectievelijk de arbeidsrechtbanken en -hoven, die stevig werden verankerd in de grondwet. 

'Judgement by peers'

Nauw verbonden met dat streven naar specialisatie is het tweede kenmerk dat we aan de werkrechtersraden te danken hebben: de bijzondere samenstelling van de arbeidsgerechten. Naast beroepsrechters tellen die immers lekenrechters die worden voorgedragen door de werkgevers- en werknemersorganisaties, of zelfstandigenorganisaties in het geval van geschillen over de sociale bescherming van zelfstandigen.

De originele Napoleontische werkrechtersraad was zelfs volledig uit lekenrechters samengesteld, namelijk werkgevers en enkele hogere arbeiders zoals meestergasten en atelierhoofden. Dit was logisch in het licht van de hierboven vermelde doelstelling van specialisatie van de werkrechtersraden. Wie had er immers meer kennis van het leven op de werkvloer dan de betrokkenen zelf?

Bovendien boezemde het idee van rechtspraak door beroepsgenoten – judgement by peers, als het ware – vertrouwen in bij de rechtsonderhorigen. Juristen werden niet nodig geacht en waren zelfs enigszins ongewenst. De grote keerzijde van de medaille was dat gewone arbeiders uitgesloten waren van het ambt van werkrechter, wat de raad een sterk paternalistisch karakter gaf. 

Multiperspectivisme

In twee opeenvolgende stappen, 1859 en 1889, werd hier een mouw aangepast. Tegen het einde van de 19de eeuw was de werkrechtersraad omgevormd tot een paritaire instelling, waarin werkgevers en werknemers in gelijke aantallen zitting namen. In 1910 werd het anti-juridische pantser doorbroken.

Sinds enkele decennia waren immers de eerste sociale wetten tot stand gekomen en op dat vlak schoten de werkrechters tekort. Om deze wetteksten correct te kunnen interpreteren, werd er voortaan toch in elke raad een jurist geïntroduceerd. Deze ‘rechtskundig bijzitter’ werd bij de totstandkoming van de arbeidsgerechten in 1970 opgewaardeerd tot een beroepsmagistraat, maar dit veranderde niets aan de aanwezigheid van lekenrechters in de arbeidsrechtbanken. Zij stonden voortaan niet meer als ‘werkrechters’ maar als ‘rechters en raadsheren in sociale zaken’ bekend.

De meerwaarde van lekenrechters is vooral dat ze feitelijke kennis bijbrengen, het vertrouwen in justitie verhogen en meerstemmigheid garanderen.

De motivering van lekenrechters is vandaag de dag overigens niet zo anders dan tweehonderd jaar geleden. Een studie door Flore Claus uit 2024 heeft aangetoond dat de voornaamste meerwaarde van lekenrechters erin bestaat dat ze feitelijke kennis bijbrengen aan de beraadslaging, het vertrouwen in justitie verhogen en, door de collegiale paritaire structuur, multiperspectivisme garanderen.

Verzoening

Een derde bijzondere karakteristiek van de arbeidsrechtspraak die op de Napoleontische periode teruggaat, is de afwijkende wijze van procesvoering. Een van de kerndoelstellingen van de oorspronkelijke werkrechtersraad was om geschillen zo snel mogelijk te beslechten en aan een zo laag mogelijke kost. Dit leidde tot een sterk vereenvoudigde procedure met nadruk op verzoening.

Vooraleer de werkrechters een vonnis konden uitspreken, diende er eerst steeds een poging te worden ondernomen om een minnelijke oplossing tussen de partijen uit te werken in het ‘verzoeningsbureau’. In een ruime meerderheid van de gevallen was die poging ook succesvol. Zo schommelde het aantal succesvolle verzoeningen in de jaren 1840 tot 1890 consequent tussen de 70 en 90 procent van alle conflicten. Slechts uitzonderlijk kwam het dus tot een vonnis. 

Doorheen de 20ste eeuw daalde het aantal verzoeningen gestaag, wat ertoe geleid heeft dat in de arbeidsgerechten sinds 1970 geen afzonderlijk verzoeningsbureau meer voorzien is. Wel bestaat nog steeds een verplichting voor de rechter om voorafgaand aan elk debat in de rechtbank na te vragen of de partijen – doorgaans een werkgever en een werknemer – toch niet kunnen worden verzoend.

Vandaag wordt nagenoeg elke partij bijgestaan door een advocaat, terwijl dat onder de werkrechtersraden verboden was. Juist omdat advocaten als een belemmering voor de verzoening werden gezien.

In de praktijk is die vraag helaas tot een loutere vormvereiste verwaterd, onder meer door een sterk gejuridiseerd karakter van de conflicten. Zo wordt nagenoeg elke partij vandaag vertegenwoordigd of bijgestaan door een advocaat, terwijl dat onder de werkrechtersraden verboden was – juist omdat advocaten als een belemmering voor de verzoening werden gezien.

Recent is de verzoening evenwel aan een revival bezig, weliswaar op louter vrijwillige basis. Sinds 2023 hebben verschillen arbeidsrechtbanken ‘kamers voor minnelijke schikking’ (KMS) geïnstalleerd, waaraan werkgevers en werknemers hun geschil kunnen voorleggen alvorens een officiële procedure op te starten. Eigenlijk komt dit neer op een terugkeer naar de principes van twee eeuwen geleden. 

Andere restanten van de werkrechtersraden op het vlak van de procedure zijn het feit dat het makkelijker is om een procedure op te starten (er is geen dure en omslachtige dagvaarding nodig) en de lagere gerechtskosten in vergelijking met de andere rechtbanken. Tot slot kan een partij er voor de arbeidsgerechten voor kiezen om niet door een advocaat te worden bijgestaan of vertegenwoordigd, maar door een afgevaardigde van zijn vakorganisatie. Voor geen enkele andere rechtbank is dit mogelijk. 

Het Belgische model 

De werkrechtersraden waren zoals eerder aangehaald een in oorsprong Franse instantie, die uiteraard ook in Frankrijk een hele verspreiding kende. Bovendien introduceerden de Fransen ook conseils de prud’hommes in andere door Napoleon gecontroleerde gebieden, zoals het Rijnland (Duitsland) en de Nederlandse stad Leiden.

Misschien doet dat vermoeden dat in die landen in dezelfde mate sprake is van een zelfstandige arbeidsrechtspraak. Toch is dat niet het geval. De Napoleontische instantie heeft de aanzet gegeven, maar de mate waarin die is uitgegroeid tot de arbeidsgerechten die we vandaag kennen, is een uniek Belgisch verhaal. Verschillende doelbewuste keuzes van de Belgische wetgever hebben tot het huidige sterke systeem geleid. 

Een eerste is de keuze na de Belgische onafhankelijkheid om de werkrechtersraden over te nemen als een ‘Belgische’ instantie en het systeem uit te breiden. Dat dit heel anders had gekund, toont de situatie in Nederland aan. De raad in Leiden ging meteen op de schop na het vertrek van de Fransen, met een drastisch gevolg: sindsdien zijn arbeidsgeschillen in Nederland steeds door de gewone rechtbanken behandeld. Gespecialiseerde rechtbanken of lekenrechters hebben er nooit voet aan de grond gekregen, en er is dus geen vertegenwoordiging van het werkveld in de rechtspraak. 

De Franse arbeidsrechtspraak is vandaag een weinig belangrijke, ondergeschikte vorm van rechtspraak. In België bestaat veeleer een beeld van gelijkwaardigheid. 

Een tweede bepalende keuze vond plaats in 1910. In dat jaar besluit de wetgever dan wel om een jurist in elke werkrechtersraad te installeren, maar ook om eigen beroepsinstanties in te richten. In deze werkrechtersraden van beroep zetelden eveneens zowel juristen als lekenrechters. Op die manier werd het principe van een gespecialiseerde arbeidsrechtspraak, met een combinatie van kennis van het recht en kennis van de werkvloer, gebetonneerd.

In ‘moederland’ Frankrijk werd rond diezelfde periode evenwel een heel andere beslissing genomen. In 1905 werd ervoor geopteerd om geen eigen beroepsrechtbanken op te richten, maar de gewone burgerlijke rechtbank daarvoor bevoegd te maken. Tot op vandaag heeft dit ertoe geleid dat de Franse arbeidsrechtspraak als een weinig belangrijke, ondergeschikte vorm van rechtspraak wordt aanzien. In België bestaat veeleer een beeld van gelijkwaardigheid. 

Een derde en laatste cruciale beslissing van de Belgische wetgever werd genomen naar aanleiding van het Gerechtelijk Wetboek in de jaren 1960. Door de werkrechtersraden en werkrechtersraden van beroep om te toveren tot de arbeidsrechtbanken en -hoven, kregen deze een modern karakter en werden ze aangepast aan het arbeidsleven van de 20ste en 21ste eeuw.

In Frankrijk vond die evolutie niet plaats. De instantie draagt nog steeds de naam conseil de prud’hommes en is, verrassend genoeg, nog steeds enkel uit lekenrechters samengesteld. Daardoor heeft de arbeidsrechtspraak in Frankrijk, naast het eerder vermelde gevoel van ondergeschiktheid, sterkt te kampen met een gedateerd en oubollig imago. 

Niet zomaar uit te wissen nalatenschap

Tegelijk is België niet té ver gegaan. We hebben een gespecialiseerde arbeidsrechtspraak op twee niveaus, maar dit wordt niet doorgetrokken tot op het niveau van het Hof van Cassatie. In Duitsland is dat wel het geval, daar bestaat een geheel zelfstandig Bundesarbeitsgericht, een hooggerechtshof van de arbeid.

Die verregaande autonomie had een omgekeerd effect. Voor veel leden van de juridische wereld en de politiek voelt dit overdreven aan – en bovendien is het erg duur – wat leidt tot minder steun voor de zelfstandige arbeidsrechtspraak. Daarvan is in België nauwelijks sprake.

De oproep waarmee ik dit artikel afsluit, is dan ook tweeledig. Enerzijds moeten beleidsmakers, wanneer ze debatteren over de arbeidsrechtspraak van de toekomst, onvermijdelijk rekening houden met de historische ontwikkelingen in ons eigen land. Een nalatenschap van twee eeuwen, die om zeer pertinente redenen tot stand gekomen is, wis je niet zomaar uit.

Tegelijk is dit artikel een uitnodiging om de uiteenlopende ontwikkelingen in het buitenland mee in overweging te nemen. De kans dat de maatregelen die men hier wil nemen daar als hebben plaatsgevonden, is zeer waarschijnlijk. Bovendien is het een manier om ons Belgische systeem te herwaarderen. In vergelijking met de huidige situatie in de buurlanden, kan men niet anders dan besluiten dat wij een goed functionerend, sterk systeem hebben.

Abonnement De Gids

Neem een abonnement op De Gids!

Aanbevolen

Kan mijn werkgever mij verbieden een bijbaan te nemen?

Je wilt naast je vaste baan aan de slag maar je vreest dat je huidige werkgever daar niet mee opgezet is? Visie zocht uit wat je rechten én plichten...
   05 december 2025

Heb ik recht op een huwelijkspremie?

Sta je op punt om te trouwen of wettelijk samen te wonen? Dan kun je misschien wel rekenen op een huwelijkspremie.
   05 december 2025

Dienstencheques: gezinnen betalen meer, aandeelhouders...

De poetshulp wordt opnieuw duurder. Vanaf januari schieten de ‘administratieve kosten’ bij verschillende commerciële dienstenchequebedrijven fors...
   05 december 2025

Fachtcheck: Zijn Belgische werknemers niet flexibel?

Uit cijfers van Steunpunt Werk blijkt dat Belgische werknemers vaak flexibel werken. Zeker wat betreft deeltijds werk en weekendwerk zitten we boven...
   02 december 2025