Premier van België Bart De Wever (N-VA)
Premier van België Bart De Wever (N-VA) © WikiCommons
  Dossier: Arizona-regering

Onze sociale zekerheid vierde vorig jaar haar tachtigjarige bestaan. Kranig en bijzonder goed functionerend, als we afgaan op de laatste rapporten van de FOD Sociale zekerheid.

Maarten Gerard, hoofd ACV-studiedienst

In vergelijking met onze buurlanden bevindt de sociale zekerheid zich op vlak van sociale uitgaven eerder in de middenmoot. Met 28,7 procent van het bbp in 2024 liggen we iets boven het Europees gemiddelde van 27,3 procent, maar ruim onder Frankrijk en Duitsland. Tegelijk is de performantie van het systeem, de bescherming die het geeft aan werknemers, wél bovenmatig groot. Het directe (monetaire) armoederisico is zelfs spectaculair gedaald in 2024. Niet slecht voor een monument van onze welvaartsstaat.

Toch is dat niet het gangbare discours. Onze sociale zekerheid is ‘onbetaalbaar’, ‘melkt de federale overheid leeg’, ‘zet niet aan tot werken’, en ga zo maar door. Een credo dat de regering maar al te graag gebruikt om te suggereren dat de sociale zekerheid de oorzaak is van alle budgettaire problemen van de overheid, quod non.

Onze sociale zekerheid zit in de middenmoot op vlak van sociale uitgaven. Tegelijk is de performantie van het systeem wél bovenmatig groot. Toch is dat niet het gangbare discours.

Het is echter wel vanuit die optiek dat de regering-De Wever de sociale zekerheid wil ‘hervormen’. Zogezegd om ze voor de toekomst te vrijwaren, maar op veel inzicht in kostbaar erfgoed kan men de regering niet betrappen. Dat komt omdat de actuele hervormingen, samen met een gebrek aan bepaalde ingrepen die wél noodzakelijk zijn, meerdere facetten bevatten en het werkelijke einddoel daardoor wat uit zicht blijft.

Sloopwerken

Het meest in het oog springen de grote sloopwerken. In de eerste plaats trekt de schrapping van het systeem van welvaartsaanpassingen van de uitkeringen een streep door de idee dat de uitkeringen van sociaal verzekerden in verhouding dienen te staan tot de inkomens van werkenden. Dat was de ratio achter het systeem van de ‘welvaartsenveloppe’.

Allerminst bijkomstig is dat die welvaartsaanpassingen de sociale minima uit de armoede hielden, precies de essentie van een sociale verzekering. Maar ook per onderdeel hanteert men de botte bijl – in de werkloosheid, net zozeer als in de pensioenen en de ziekteverzekering. In de loop van 2026 duwt men 180.000 mensen uit de werkloosheidsverzekering, richting sociale bijstand. Een klein deeltje zal mogelijk naar werk doorstromen, vooral in de sociale economie, maar het merendeel wordt eigenlijk afgeschreven.

Minder bekend, maar even tekenend zijn de maatregelen die genomen worden over de werkloosheidsuitkeringen zelf, waarbij de licht verhoogde uitkeringen voor de eerste drie maanden – enkel voor de hoogste inkomens – gevolgd worden door snellere lagere uitkeringen. Uitkeringen die overigens door de geplande fiscale hervorming en het wegvallen van het lagere fiscale tarief voor uitkeringen vanaf 2026 effectief verminderen, soms tot op of net onder leefloonniveau.

Dat men en passant de niet-toeleidbaren en mantelzorgers uit het oog was verloren, neemt men erbij. Het sociaal risico van werkloosheid verdient volgens de regering dus gaan antwoord op maat.

Op vlak van pensioenen zijn de ingrepen via de pensioenmalus, het beperkt fictief loon voor bepaalde gelijkgestelde periodes en de beperking van die gelijkgestelde periodes drastisch, precies voor de groepen die de bescherming van de sociale zekerheid extra nodig hebben. Onregelmatige loopbanen met regelmatig interim-werk, periodes van werkloosheid en deeltijds werk worden zwaar afgestraft, niet alleen voor het recht op en het bedrag bij vervroegd pensioen, maar ook voor het behalen van de wettelijke pensioenleeftijd.

Individuele verantwoordelijkheid

Vanuit de idee dat ‘werken moet lonen’ worden mensen vooral richting precair werk geduwd. Precair werk dat vervolgens wordt bestraft omdat het door zijn instabiele karakter onvoldoende pensioenrechten opbouwt. Voor de hogere pensioenen topt men dan weer de indexatie af, met bijkomend een dubbele beperking van de indexering van de gemiddelde pensioenen via de ‘centenindex’. Het gaat daar immers evenzeer om gezins- en overlevingspensioenen.

De ingrepen in de ziekteverzekering zijn indirecter, door mensen uit het systeem te proberen halen via controles en bijhorende sanctionering, als ze in principe nog werkpotentieel hebben. Mensen maximaal kansen op werk geven is positief, maar de inschatting van het werkpotentieel herleidt men nogal snel tot individuele werkonwilligheid. Daarenboven overschat de regering het werkaanbod en de jobmogelijkheden voor mensen met gezondheidsproblemen.

Het discours van individuele verantwoordelijkheid was al langer genormaliseerd in de werkloosheid en sluipt nu ook de ziekteverzekering in. Wat niettemin volledig ontbreekt, is een antwoord op de vraag wat moet gebeuren als er geen, al dan niet aangepast, werk beschikbaar is.

Dat kan opnieuw leiden tot een systematische verschuiving van werknemers uit de ziekteverzekering, mogelijk alweer richting bijstand. Die duw naar de OCMW’s is al aan de gang. Dat men amper de oorzaken van ziekmakend werk aanpakt, zonder de responsabiliseringsbijdrage van werkgevers te onderkennen, toont dat het probleem meer vanuit het kostenplaatje van de sociale zekerheid wordt benaderd in plaats vanuit het sociaal risico zelf.

Naar het zelfstandigenstelsel

Het tweede analyseniveau om de hervormingen te bekijken zijn de discrepanties die naar boven komen en de zaken die niet gebeuren. Wanneer het argument van betaalbaarheid geldt om bovenstaande hervormingen te verantwoorden, is het zeer bizar dat men er in budgettair krappe tijden voor kiest om rechtstreeks, via de verlaging van sociale bijdragen en onrechtreeks, via de uitbreiding van flexi-jobs en studentenarbeid, de directe financiering van de sociale zekerheid te verminderen. Een andere maatregel die minder vanuit het perspectief van de sociale zekerheid aan bod komt, is de dubbele partiële indexsprong of zogenaamde centenindex.

Wanneer het argument van betaalbaarheid geldt om de hervormingen te verantwoorden, is het zeer bizar dat men er in budgettair krappe tijden voor kiest om rechtstreeks en onrechtreeks de financiering van de sociale zekerheid te verminderen.

In tegenstelling tot wat het regeerakkoord zegt over het inperken van alternatieve loonvoordelen, verzwakt deze maatregel verder het verzekeringsprincipe door zowel de huidige als de toekomstige uitkeringen (via de lonen) te drukken en werknemers zo sterker richting alternatieve voordelen te duwen. De impact van hun bijdrage wordt namelijk opnieuw minder sterk, terwijl een zwakte van onze sociale zekerheid nu al de beperkte loonplafonds zijn in de verschillende takken van de sociale zekerheid.

Verschillende maatregelen in de sociale zekerheid voor werknemers lijken sterk op mechanismen zoals gekend in de sociale zekerheid voor zelfstandigen. De beperking van het systeem van de werkloosheidsuitkeringen tot twaalf maanden, te verlengen tot maximaal vierentwintig maanden, leunt dichter aan bij het systeem van het overbrugginsrecht voor zelfstandigen dat ook twaalf maanden telt, en mogelijkheid geeft tot een totaal van vierentwintig maanden, zij het niet aaneensluitend.

De herinvoering van het loonplafond voor sociale bijdragen van werknemers is dan weer een stap richting het sterk degressieve systeem van sociale bijdragen van zelfstandigen. Daar liggen de bijdragen niet alleen lager, maar zijn er boven een jaarinkomen van 108.000 euro zelfs geen bijdragen meer verschuldigd. Dat verklaart mee waarom het globaal beheer van de zelfstandigen nog slechts voor 51,6 procent(!) door eigen sociale bijdragen zal gefinancierd worden tegen 2030. Tegenover meer dan 68 procent bij werknemers, gezondheidszorg inclusief.

Frédéric De Gucht

Politieke keuzes die de sociale rechten van zelfstandigen tijdens de vorige, maar ook deze regering verder versterkten, zonder hiervoor bijkomende bijdragen te vragen, bieden een volgende verklaring voor dat dalende aandeel. De belangrijkste maatregel in dat opzicht was om de ‘correctie-coëfficiënt’ in de pensioenen te verlaten, die zonder equivalente bijdragen de pensioenminima voor zelfstandigen drastisch verhoogde.

Ook nu neemt deze ongelijkheid tussen rechten en bijdragen toe via de verhoging van de moederschapsrust, de pensioenbonus, enzovoorts. Overigens kunnen zelfstandigen inmiddels veel eenvoudiger een wettelijk pensioen opbouwen. Een minimale bijdrage van ongeveer 900 euro per kwartaal volstaat, terwijl een werknemer elke gewerkte dag moet bewijzen om een recht te openen. Dat werd dan weer niet geharmoniseerd, integendeel.

Ultra-liberalen vonden hun kampioen in Frédéric De Gucht, die erin slaagt om te poneren dat de volledige sociale zekerheid kon geregeld worden met een vast belastingkrediet, lager dan de huidige werkloosheidsuitkering.

Op elk van de verschillende maatregelen valt dus zowel principieel als praktisch heel wat aan te merken, maar de vraag is welke richting we hiermee uitgaan. Zo komen we bij de kern van de zaak, namelijk de vraag welke sociale zekerheid de regering nu eigenlijk nastreeft?

De afbouw van de sociale zekerheid is vooral de natte droom van een reeks ultra-liberalen. Die vonden recent hun kampioen in de figuur van Frédéric De Gucht, de nieuwe voorzitter van Anders, die erin slaagt om te poneren dat de volledige sociale zekerheid kon geregeld worden met een vast belastingkrediet, lager dan de huidige werkloosheidsuitkering. Minimale bijstand dus.

Vervolgens trok De Gucht nog het nut van een pensioenleeftijd in vraag, nauwelijks beseffend hoe zwaarbevochten het recht op pensioen is voor wie niet achterover kan leunen op een kussen van kapitaalinkomsten. Wat meteen zijn uitspraak verklaart dat af en toe een boek ter hand nemen er niet echt inzit bij hem.

Hoe absurd ook, dit zijn wel de uitspraken van de voorzitter van de partij die de voormalige premier leverde. De Vlaamse liberalen mogen zich dan nog radicaal buiten de regering trachten te positioneren, die radicalisering wijst er vooral op dat de huidige regeringspartijen al heel wat van hun ideeën delen.

De basis voor welvaartscreatie

Hoewel de uitvoering van het regeringsbeleid altijd een duwen en trekken tussen partijen en overtuigingen is, wegen duidelijk bepaalde tendensen door:

  • Het sociaal karakter van de sociale zekerheid wordt uitgehold door de toegang voor bepaalde groepen moeilijker tot onmogelijk te maken;
  • Het verzekeringskarakter van de sociale zekerheid wordt ondermijnd door prestaties te beperken en zo te evolueren naar een basisbescherming;
  • Door systematisch inkomsten te ontzeggen aan de sociale zekerheid krijgen bovenstaande tendensen verdere munitie.

Geen van die doelen is met één maatregel te bereiken, maar het is wel de richting waarin de sociale zekerheid wordt geduwd, zeker door deze regering. Het past in het populaire discours dat de sociale bescherming moet dienen ‘voor zij die het nodig hebben’, maar tegelijk ook ‘voor zij die werken’.

Schijnbaar contradictorisch, maar toch gelijktijdig van toepassing. Meteen krijgt het universele karakter van de sociale zekerheid zo een knauw. De idee van sociale zekerheid is namelijk dat iedereen verzekerd dient te zijn tegen sociale risico’s en dat we die risico’s zo dienen te verzekeren dat iedereen voldoende ondersteund wordt. Net die bescherming tegen sociale risico’s maakt het recht op werken voor iedereen mogelijk, en vormt zo de basis voor welvaartscreatie.

Vandaar het belang van brede toegang en adequate minima. Het sociale, inclusieve karakter is de buffer voor het armoederisico dat uit elke sociaal risico kan voortkomen: een periode van ziekte, werkloosheid of ouderdom. Keer op keer toont onderzoek aan dat gebrek aan een degelijk vervangingsinkomen de stap naar werk onoverkomelijk maakt, terwijl adequate bescherming het juist wel mogelijk maakt om te re-integreren in de samenleving én op de arbeidsmarkt.

Het universele karakter maakt sociale mobiliteit mogelijk door een gelijke vertrek- en terugval-basis te garanderen. Het verzekeringskarakter zorgt ervoor dat er een effectief individueel én collectief belang is bij voldoende opbouw van rechten binnen het systeem.

Over welvaart?

Laat me daarmee een brugje maken naar het recente boekje van premier De Wever, Over welvaart. Dat wordt besproken als een sociaaleconomische analyse, maar is weinig meer dan een politiek pamflet. Pertinent is de lijn die de huidige premier trekt tussen de armenzorg van de vroege middeleeuwen en de welvaartsstaat vandaag.

Los van de historische hiaten en verkeerde parallellen, zegt het veel over het denken van de regeringsleider, zijn beleid en van de grootste partij van het land. De voorstelling van de welvaartsstaat als een basis voor ‘ziekenzorg, ouderenzorg en armenzorg’ geeft meteen aan dat de invulling van sociale zekerheid geen verzekering is, maar bijstand. Geen stelsel van economische en sociale resistentie, maar van gestructureerde liefdadigheid.

Merk op dat daarbij geen sprake is van de andere takken van de sociale zekerheid, zoals de gezinstoelagen, arbeidsongevallen, betaalde vakantie en vooral niet van het werkloosheidsrisico.

De Wever stelt de welvaartsstaat voor als een basis voor ‘ziekenzorg, ouderenzorg en armenzorg’. Geen stelsel van economische en sociale resistentie, maar van gestructureerde liefdadigheid.

Even tekenend is de volmondige instemming met het Victoriaanse onderscheid tussen de deserving en undeserving poor. Dat onderscheid is niet nieuw in het beleid. De werklozen mochten zich de laatste twintig jaar al tot de categorie van undeserving poor rekenen. Steeds strengere sancties waren de regel tijdens verschillende regeringen, met de finale schop uit het systeem vandaag als orgelpunt.

Ter illustratie, zelfs wanneer de uitkeringen in de tijd worden beperkt, stelt niemand het sanctiesysteem in vraag dat net als wederkerigheid voor de potentieel langdurige uitkeringen werd opgezet. Integendeel, Vlaanderen wil de sancties nog verzwaren. Undeserving indeed.

De logica van een sterke sociale zekerheid, waaraan wel lippendienst wordt bewezen, is volledig afwezig. De afbouw van onze centrale publieke pijlers voor sociale prestaties duwen ons stap voor stap richting een systeem van twee snelheden: een stroom die snel terugvalt op het absolute minimum, zoals het leefloon of de inkomensgarantie voor ouderen, en een andere die een basisverzekering krijgt, maar die voor een adequate bescherming moet aanvullen met bijkomende verzekeringen. Niet toevallig zoals het systeem van zelfstandigen, zoals het er vandaag uitziet.

Slechte restauraties komen met een prijs

Die ambitie is er al duidelijk voor de pensioenen, waar aanvullende pensioenen expliciet de regel moeten worden om een adequaat vervangingsniveau te garanderen. Dat zal de overheid nog steeds veel geld kosten, ongelijk verdeeld zijn én met meer risico gepaard gaan, maar dat wordt genegeerd.

In de gezondheidszorg is die dualisering eveneens al een tijd gaande. Hospitalisatieverzekeringen zijn een standaardvoordeel geworden voor veel werknemers, maar lang niet voor iedereen. In een context van verhoogde remgelden en mogelijk een verdere deconventionering van bepaalde artsenberoepen zal het belang en het onevenwicht van dergelijke verzekeringen toenemen.

Meer dan tachtig jaar na de opbouw van onze sociale zekerheid zijn er genoeg werven om ze te versterken. Nu al wordt de toegang tot sociale zekerheid voor bepaalde groepen van werknemers, zoals platformwerkers, schier onmogelijk. Bepaalde uitkeringen volstaan niet om menswaardig te leven, en werken net daarom niet activerend, in het bijzonder voor gezinshoofden.

De combinatie van uitkeringen met een inkomen uit werk als overstap kan veel beter, zeker bij werkloosheid. Loonplafonds worden te veel samengedrukt, wat zowel het verzekeringsaspect als het vertrouwen in de sociale zekerheid ondermijnt. Al worden steeds meer werknemers weggeduwd naar alternatieve voordelen, zonder sociale rechten en bijhorende sociale bijdragen, ook bij de groepen die ver onder het maximale loonplafond zitten. Zo valt er nog heel wat meer op te sommen.

Laat deze problemen nu niet de echte ambitie van de regering vormen. Als we verder gaan in die richting die zal de kathedraal die onze sociale zekerheid is er niet versterkt uit komen. Maar slechte restauraties komen ook met een prijs.

Abonnement De Gids

Neem een abonnement op De Gids!

Aanbevolen

Regering schrapt in gelijkstelling landingsbanen ondanks...

Net voor het jaarlijkse zomerreces schrapte de arizonaregering in het aantal gelijkgestelde periodes voor het pensioen voor werknemers....
   12 augustus 2026

Hoe de moderne wereld ons al eeuwen ziek maakt

In De burn-outparadox beschrijf ik de soms grillige geschiedenis van het burn-outfenomeen. Het boek biedt een sociologische en historische kijk....
   15 juli 2026

Monitoringcomité bevestigt: begrotingstekort loopt verder...

Het Monitoringcomité verwacht dat de begroting de komende jaren nog verder zal ontsporen dan tot nu toe geschat. Uit het meest recente rapport...
   07 juli 2026

Zorgsector draait structureel op overuren

Meer dan een op de drie werknemers in de zorg- en welzijnssector draait wekelijks overuren. Dat blijkt uit een grootschalige bevraging van ACV Puls....
   06 juli 2026