100-euro biljet in UV-licht
© Unsplash/ Immo Wegmann
 

Ondanks de hoge belastingdruk in België, daalden de jongste jaren de fiscale ontvangsten als percentage van het bbp. Tegelijk zijn de fiscale uitgaven en minderontvangsten hoog gebleven of zelfs gestegen. Haaks op een logica van begrotingsconsolidatie.

Jozef Pacolet, emeritus professor HIVA-KU Leuven
Alexandra de Sousa Fernandes, onderzoeker HIVA-KU Leuven

Wat is het niveau van belasten, maar ook van niet-belasten in België – zowel in het algemeen als voor kapitaal en kapitaalinkomen?

Voor alle fiscale en parafiscale ontvangsten samen geldt dat de minderontvangsten in totaal exact 20 procent van het bbp uitmaken, terwijl de werkelijke ontvangsten 42 procent van het bbp bedragen. Voor elke 2 euro die de overheid ontvangt is er wel 1 euro die men niet ontvangt, wat het beeld van een zwaar belast België aanzienlijk nuanceert.

Voor elke 2 euro die de overheid ontvangt is er wel 1 euro die men niet ontvangt, wat het beeld van een zwaar belast België aanzienlijk nuanceert.

Als het de bedoeling is om de belasting op arbeid te laten dalen, hoe evolueerde dan de belasting op kapitaal? In welke richting gaan recente maatregelen, zoals de invoering en nu verhoging van de effectentaks en de meerwaardetaks?

Zij blijken emblematisch voor de Belgische endemische ziekte van belasten en niet-belasten. Op het moment dat deze belastingregimes worden ingevoerd, worden substantiële uitzonderingen gecreëerd. Noodzakelijk voor toekomstige gezonde publieke financiën is om nu belastingverlagingen uit te stellen of zelfs terug te schroeven, en de belastbare basis te verruimen door te wieden in de fiscale en parafiscale uitgaven.

Austeriteit voorkomen is beter dan genezen

De fiscale en parafiscale druk is hoog, maar neemt af op een moment dat de uitgavenbehoeften toenemen en de nood aan begrotingsconsolidatie groot blijft. Dit is geen tijd voor belastingverlaging, omdat het onze verzorgingsstaat in gevaar brengt. Budgettaire orthodoxie kan budgettaire austeriteit voorkomen.

Het is een endemische ziekte in België dat op het moment dat men belastingregimes invoert, meteen substantiële uitzonderingen creëert.

Het is een bekende strategie om de rol van de staat en de verzorgingsstaat in te perken door belastingverlagingen te beloven en te organiseren. Dit is het afgelopen decennium opnieuw het geval geweest, vaak in combinatie met gehandhaafde fiscale uitgaven. Bijgevolg vergroot dit beleid de uitdaging om te voldoen aan groeiende behoeften, zoals de kosten van de vergrijzing op de korte en lange termijn, evenals nieuwe uitdagingen, zoals stijgende defensie-uitgaven.

De totale fiscale en parafiscale inkomsten bereikten hun piek in 2013, met 45,4 procent van het bbp, en zijn de afgelopen jaren gedaald, tot 41,7 procent van het bbp in 2025 (figuur 1). Deze neerwaartse trend heeft het begrotingstekort verder vergroot, waardoor de behoefte aan verdere begrotingsconsolidatie toeneemt, op een moment dat we ons moeten voorbereiden op toekomstige overheidsuitgaven. We kunnen het ons niet veroorloven om belastingen te vroeg te verlagen.


Als we de gederfde fiscale en parafiscale inkomsten over de periode 2014-2025 samentellen – gemeten als het verschil tussen de piek van 45,4 procent van het bbp in 2013 en de verminderde inkomsten in de daaropvolgende jaren – bedroegen de gederfde inkomsten 147,5 miljard euro in het afgelopen decennium, of ongeveer 23 procent van het bbp in 2025.

Toen gouverneur van de Nationale Bank van België Pierre Wunsch onlangs het Jaarverslag 2025 presenteerde in het Belgische parlement, concludeerde hij: ‘Als de erosie van de ontvangsten gestopt wordt, kan het tekort met 1 procent van het bbp verkleinen.’

Minder sociale bijdragen

De eng gedefinieerde fiscale uitgaven – gederfde inkomsten die het gevolg zijn van een afwijking van de standaardbelasting die vervangen zou kunnen worden door een directe subsidie – bedroegen in de jaren negentig ongeveer 3 procent van het bbp. Ze zijn sindsdien verdubbeld en stegen opnieuw de afgelopen vijf jaar, in een periode die budgettaire orthodoxie vereiste, met nog eens 0,5 procent van het bbp, tot 6,5 procent van het bbp.

Samen met andere gederfde inkomsten – afwijkingen in belastingtarieven, vrijstellingen, aftrekken en belastingverminderingen die deel uitmaken van de standaard belastingregels – bereiken de totale gederfde inkomsten een recordniveau van 18,9 procent in 2023 (figuur 2).

figuur2Gebaseerd op: Jozef Pacolet, Frederic De Wispelaere, Joris Vanormelingen (2014). De ontbrekende schakel: Een echte meerwaardebelasting voor België. HIVA-KU Leuven)

Vergeleken met de fiscale inkomsten die in datzelfde jaar 28,8 procent van het bbp vertegenwoordigden (figuur 3) betekent dit dat voor elke 3 euro aan belastinginkomsten er 2 euro aan gederfde belastinginkomsten zijn.

Daarnaast bereikten de parafiscale uitgaven – gederfde sociale bijdragen van werkgevers- of werknemerszijde – een piek van 2 procent van het bbp in de periode 2011-2017, maar deze werden vervolgens verminderd en vereenvoudigd, en maakten in 2023 1,1 procent van het bbp uit.

De nominale bijdragenpercentages voor werkgevers daalden van 32,4 procent van de loonmassa in 2015 tot 25 procent in 2018.

Deze verlaging van de parafiscale uitgaven kon de verlaging van de wettelijke sociale bijdragen en de daaruit voortvloeiende daling van de inkomsten echter niet compenseren. De nominale bijdragenpercentages voor werkgevers daalden van 32,4 procent van de loonmassa in 2015 tot 25 procent in 2018. Van een piek van 14,1 procent van het bbp in 2015 daalden de totale ontvangen sociale bijdragen tot 12,8 procent van het bbp in 2023.

De gederfde parafiscale inkomsten zijn aanzienlijk lager dan het aandeel van de gederfde fiscale inkomsten: voor elke 13 euro die men ontvangt is er ongeveer 1 euro aan niet-ontvangen parafiscale inkomsten.

figuur3

Fiscale en parafiscale ontvangsten samengenomen, vormt dit ongeveer 250 miljard euro aan inkomsten, ongeveer 42 procent van het bbp. Daartegenover staan ongeveer 120 miljard euro aan fiscale en parafiscale uitgaven, of 20 procent van het bbp. Voor elke 2 euro aan inkomsten is er 1 euro aan gederfde inkomsten.

In 2023 bedroegen de totale overheidsinkomsten, inclusief niet-fiscale en niet-parafiscale inkomsten, 293,9 miljard euro, terwijl de totale uitgaven, inclusief rentelasten, 318,1 miljard euro bedroegen, wat resulteerde in een tekort van ongeveer 24,1 miljard euro. Die daling van de ontvangsten afremmen, en de 120 miljard euro fiscale en parafiscale uitgaven terugdringen, moet dit tekort toch kunnen reduceren.

Hoe evolueerde nu de belasting op kapitaal?

De totale inkomsten uit kapitaalbelasting, inclusief vennootschapsbelasting, zijn gestegen van 5,7 procent van het bbp in 1995 tot een maximum van 8,4 procent van het bbp in 2024 (figuur 4).

Het is het op een na hoogste niveau van inkomsten uit kapitaalbelasting in de Europese Unie, na Luxemburg. Meer dan de helft van deze inkomsten komt uit vennootschapsbelastingen.

Als percentage van het bbp stijgen deze sneller dan het bruto-exploitatieoverschot, of operationele winst voor belastingen,, ondanks dalende belastingtarieven. De inkomsten verdubbelden zelfs, van 2,1 naar 4,2 procent van het bbp tussen 1995 en 2024, omdat sommige gunstige belastingregelingen verdwenen, zoals het coördinatiecentrum en de notionele interestaftrek (figuur 4).

De impliciete belastingdruk als verhouding van de belastingopbrengst tegenover het exploitatieoverschot bleef de jongste decennia constant, maar het nominale tarief van de vennootschapsbelasting daalde maar liefst van 45 naar 25 procent, en voor kmo’s is het 20 procent voor de eerste schijf van ondernemerswinst tot 100.000 euro.

figuur4

De verlaging van het nominale tarief van de vennootschapsbelasting leidt tot interne fiscale dumping. Dat resulteert bijvoorbeeld in een verschuiving van individuele zelfstandige activiteiten naar de vennootschapsvorm. Naarmate het bruto-exploitatieoverschot van het bedrijfsleven toeneemt, en in figuur 5 is dit vooral voor de niet-financiële ondernemingen het geval, neemt ook de grondslag voor de vennootschapsbelasting toe.

Christian Valenduc verklaart de schijnbare paradox van een dalend nominaal belastingtarief met een stijgend en stabiliserend impliciet belastingtarief en stijgende opbrengsten voornamelijk door een groeiende belastingbasis als gevolg van de toegenomen winstgevendheid, een toename van directe investeringen en de groeiende verschuiving van zelfstandige arbeid naar vervennootschappelijking.

Dit laatste resulteerde in de daling van het inkomen van de zelfstandigen. Daaraan kan het dalende aandeel van de beloning van werknemers worden toegevoegd, dat zowel lonen als feitelijke sociale werkgeversbijdragen omvat.

De andere belastingen op kapitaal, bijvoorbeeld de roerende en onroerende voorheffing op kapitaalinkomsten, de belastingen op transacties, overdrachten, financieel en niet-financieel vermogen, zijn de voorbije dertig jaar veel stabieler en stegen tussen 1995 en 2024 van 3,6 procent naar 4,2 procent van het bbp (figuur 4).

figuur5

Het niveau van de inkomsten uit de belasting op kapitaal (andere dan bedrijfsinkomsten) kan worden vergeleken met het nettovermogen van huishoudens. Zo heeft België een van de hoogste aandelen van de vermogensbelasting in de totale belastinginkomsten, maar heeft het ook het op een na hoogste nettovermogen van huishoudens van alle EU-landen (financiële activa en onroerend goed, verminderd met het bedrag van de financiële verplichtingen), blijkt uit cijfers van Eurostat.

In 2023 bedroeg het nettovermogen van de huishoudens 528,2 procent van het bbp, waarmee het alleen werd overtroffen door Spanje.

Als we het niveau van de andere belastingen op kapitaal vergelijken met de waarde van het nettovermogen tussen 1998 en 2023, dan zijn de andere belastingen op kapitaal in deze periode vrijwel ongewijzigd gebleven, met een stijging van 3,76 naar 3,77 procent van het bbp. Ondertussen steeg het nettovermogen van huishoudens, zowel onroerend goed als financieel vermogen, van 467,6 naar 528,2 procent van het bbp.

Als we het niveau van de andere belastingen op kapitaal vergelijken met de waarde van het nettovermogen, dan zijn die vrijwel ongewijzigd gebleven. Ondertussen steeg het nettovermogen van huishoudens.

Bijgevolg is de impliciete belastingdruk – de verhouding van deze belastingontvangsten tot het vermogen – gedaald van 0,81 procent in 1998 naar 0,71 procent in 2023 (figuur 6).

Als we de vergelijking tussen belasten en niet-belasten maken voor kapitaal en kapitaalinkomsten, inclusief het niet-belasten en derven van inkomsten in de vennootschapsbelasting, is niet-belasten bijna net zo belangrijk als belasten.

De totale inkomsten uit de vennootschapsbelasting, overige belastingen op kapitaal en kapitaalinkomsten, en belastingen op financiële en kapitaaltransacties en transfers bedroegen ongeveer 45,5 miljard euro, of 7,5 procent van het bbp, in 2023. Ondertussen bedroegen de fiscale uitgaven in het kader van de personenbelasting, de vennootschapsbelasting en de roerende voorheffing in totaal ongeveer 7,6 miljard euro.

In combinatie met 33 miljard euro aan overige gederfde inkomsten binnen de vennootschapsbelasting komt dit neer op een totaal van 40,7 miljard euro aan niet-belasting. Voor elke 9 euro aan belastinginkomsten uit kapitaal is er dus 8 euro aan gederfde inkomsten.

figuur6

De nominale belastingtarieven op bedrijfswinsten zijn aanzienlijk gedaald van 45 naar 25 procent, terwijl de impliciete belastingdruk op het nettovermogen van huishoudens is gestagneerd. Als het de bedoeling was om de belastingdruk op inkomen uit arbeid de afgelopen decennia te verlagen, dan is deze evolutie onhoudbaar.

Een verlaging van de belasting op arbeid moet elders worden gecompenseerd, anders komt de consolidatie van de overheidsfinanciën – of het gewenste niveau van overheidsuitgaven – in gevaar.

Beter laat dan nooit, maar niet progressief

Op het gebied van vermogensbelasting vallen twee belangrijke nieuwigheden op.

Ten eerste is de belasting op effectenrekeningen, ingevoerd in 2018 en geactualiseerd in 2021, onlangs verdubbeld van 0,15 naar 0,30 procent voor rekeningen van meer dan 1 miljoen euro. Hoewel deze een alternatief is voor de belasting op kapitaalopbrengsten, is het opmerkelijk dat veel rijke burgers zijn vrijgesteld van deze jaarlijkse belasting op effectenrekeningen, omdat ze niet wordt geheven op aandelen op naam.

Met een belastingtarief van 0,15 procent en een opbrengst van 362 miljoen euro in 2023, volgens cijfers van het Rekenhof, dekt deze belasting financiële activa ter waarde van 241 miljard euro, een fractie van de 1.575,8 miljard euro aan financieel vermogen in België.

In veel landen vormt de meerwaardebelasting een belangrijke schakel in de belastingstructuur. De huidige regering heeft die ontbrekende schakel in 2026 toegevoegd aan ons belastingstelsel. Er is een meerwaardebelasting ingevoerd tegen een gemiddeld tarief van 10 procent, met een belastingvrije som van 10.000 euro.

Het verwachte rendement van de nieuwe meerwaardebelasting blijft beperkt vanwege de vele uitzonderingen, het relatief lage belastingtarief en het feit dat het alleen van toepassing is op gerealiseerde meerwaarden.

Het is echter opmerkelijk dat er een veel lagere en slechts langzaam stijgende meerwaardebelasting is ingevoerd voor groter aandelenbezit. Het verwachte rendement is 236 miljoen euro voor 2026. Dit blijft beperkt vanwege de vele uitzonderingen, het relatief lage belastingtarief en natuurlijk het feit dat het alleen van toepassing is op gerealiseerde meerwaarden. Dit rendement komt overeen met 0,036 procent van het bbp, terwijl in andere landen de meerwaardebelasting gemiddeld 0,2 procent van het bbp oplevert en kan oplopen tot 1,9 procent van het bbp.

Belgische ziekte

De recente nieuwigheden in de belasting op kapitaalinkomsten reveleren nog maar eens de ‘Belgische ziekte’. Wanneer een nieuw regime wordt ingevoerd, worden tegelijkertijd vrijstellingen ingevoerd, waardoor de impact van de hervorming wordt beperkt – in dit geval zelfs op een regressieve manier.

Een verbreding van de grondslag door deze vrijstellingen weg te laten zou de inkomsten kunnen verhogen of zelfs dezelfde inkomsten mogelijk maken met een lager belastingtarief.

De zoektocht naar extra en voldoende inkomsten ontslaat ons niet van de permanente ambitie van een zuinig beheer van de overheidsfinanciën op alle beleidsterreinen. Vooral in de context van de verzorgingsstaat en de kosten van de vergrijzing moet elke mogelijkheid om werkloosheid, voortijdig pensioen, inactiviteit en invaliditeit te voorkomen, worden nagestreefd.

Met het oog op een orthodox antwoord op de behoefte aan begrotingsconsolidatie, is er momenteel geen ruimte voor deze belastingverlagingen en -vrijstellingen.

Dit zijn positieve maatregelen om de activiteit en inclusie te verbeteren, wat leidt tot zowel hogere inkomsten als lagere uitgaven. Ook de strijd tegen fiscale fraude blijft een belangrijke prioriteit.

Om verschillende redenen, sommige dwingender dan andere, is er een aanhoudende voorkeur voor een breed scala aan vrijstellingen en verlaagde belastingtarieven. Dit heeft geleid tot minder inkomsten voor de staat, naast andere bewuste belastingverlagingen, waardoor de overheidsfinanciën en de huidige en toekomstige uitgaven in gevaar komen.

Met het oog op een orthodox antwoord op de behoefte aan begrotingsconsolidatie, is er momenteel geen ruimte voor deze belastingverlagingen en -vrijstellingen. De belastinggrondslag verbreden en de belastingdruk handhaven over alle categorieën heen, kan onze overheidsfinanciën gezonder maken, zowel nu als in de toekomst. Er zijn immers geen uitgaven zonder belastingen.

Abonnement De Gids

Neem een abonnement op De Gids!

Aanbevolen

Monitoringcomité bevestigt: begrotingstekort loopt verder...

Het Monitoringcomité verwacht dat de begroting de komende jaren nog verder zal ontsporen dan tot nu toe geschat. Uit het meest recente rapport...
   07 juli 2026

Requiem voor de erfbelasting

De Vlaamse regering was voornemens de erfbelasting fors te verminderen. Botsend op de budgettaire realiteit bleven echter zoethoudertjes over voor...
   03 juli 2026

Zijn flexi-jobs echt een win-win?

Door een grote uitbreiding van de flexi-jobs kan vanaf 1 juli zowat elke werkgever er een beroep op doen, tenzij de sector zelf er anders over...
   30 juni 2026

Opnieuw een kameel van een btw-verhoging? Miljarden aan...

Van alle dieren in het bonte circus van de regering-De Wever was de btw-verhoging de ‘lelijkste kameel’. Voor het zomerreces wil de regering een...
   29 juni 2026