Maar de automatische loonindexering volgt niet alle prijsstijgingen, wel van die producten en diensten in de zogenaamde ‘gezondheidsindex’. Bovendien wordt die gezondheidsindex ‘afgevlakt’; het is een gemiddelde van prijsstijgingen per kwartaal, in plaats van een maandelijkse aanpassing. Dat zorgt voor een verschil tussen de echte toegenomen levensduurte en de correctie van de koopkracht.
Hoewel de prijzen voor gas en elektriciteit wel in de gezondheidsindex zijn opgenomen, zijn pakweg de prijzen voor motorbrandstoffen dat niet. ‘Sinds het najaar van 2021 zijn die ook sterk gestegen’, legt indexspecialist van het ACV Ive Rosseel uit. ‘Daardoor stijgt de gezondheidsindex trager dan de gewone index van consumptieprijzen.’
De studiedienst van het ACV berekende dat de afgevlakte gezondheidsindex in het afgelopen jaar 3,95 procent toenam, tegenover een stijging van maar liefst 5,72 procent van de reële consumptieprijzen. Voor een Belgisch mediaan bruto-inkomen van 3 486 euro per maand betekent dat 61,70 euro minder loon dan het geval geweest zou zijn bij een algemene indexering.
Dat koopkrachtverlies wordt nooit meer ingehaald, zegt Rosseel. Meer nog, de tijdelijke btw-verlaging op elektriciteit zal ervoor zorgen dat de gezondheidsindex trager groeit, waardoor een deel van de werknemers, gepensioneerden, zieken, werkzoekenden en mensen met tijdkrediet langer moeten wachten op hun koopkrachtherstel. Een deel van het voordeel dat ze halen uit de btw-verlaging, verliezen ze dus aan de tragere indexering.’
Dat werknemers ondanks de indexering van de lonen aan koopkracht verliezen, sterkt ACV-voorzitter Marc Leemans in zijn verzet tegen de loonnormwet. 'De index is heel belangrijk voor het behoud van koopkracht, maar er moeten ook echte loonstijgingen komen. De huidige loonnormwet maakt dat onmogelijk. Zeker nu uit onderzoek van de Nationale Bank blijkt dat de winstmarges van Belgische bedrijven hoger zijn dan ooit, is dat echt niet meer te verantwoorden.’


