De betaalbaarheid van een verblijf in een woonzorgcentrum komt steeds meer onder druk. Dat blijkt uit de nieuwe rusthuisbarometer van OKRA. De gewogen gemiddelde prijs voor steeg het afgelopen jaar met 2,8 procent, terwijl de pensioenen met 2 procent stegen. Zo kost een kamer nu gemiddeld 2.359 euro per maand.
‘Al zijn er grote verschillen tussen publieke en private rusthuizen’, stelt Herman Fonck, voorzitter belangenbehartiging bij OKRA. In commerciële woonzorgcentra kost een kamer zonder supplementen gemiddeld 2.561 euro per maand, in non-profit voorzieningen 2.313 euro per maand en in publieke centra 2.225 euro per maand.
Exclusief supplementen
‘Dat zijn dagprijzen zonder de supplementen voor de kosten van onder andere medicatie, artsen, huur van een koelkast of tv, internet, een tv-abonnement of telefoon op de kamer’, vult Fonck aan. ‘Die kosten variëren naargelang het woonzorgcentrum. Meerdere gemeenten hebben recent besloten om supplementen uit de dagprijs te halen en apart aan te rekenen aan bewoners. Die bijkomende kosten zijn daarom niet zichtbaar in de dagprijsmetingen.’
OKRA stipt verder aan dat het aan transparantie op vlak van supplementen ontbreekt. De verplichte aangifte daarvan aan de Vlaamse overheid verloopt gebrekkig, waardoor systematische en betrouwbare gegevens ontbreken, zegt de seniorenorganisatie.
750 euro per maand bijleggen
Intussen blijven de prijzen verder uitlopen op de pensioenen. Het gemiddeld pensioen bedroeg op 1 januari van dit jaar 1.787 euro per maand. ‘Gemiddeld moet een bewoner van een woonzorgcentrum meer dan 600 euro per maand opleggen. Dat is eigenlijk hallucinant’, maakt Fonck zich sterk. ‘Als we alleen naar de pensioenen van werknemers kijken, dan loopt het verschil nog verder op. Zij ontvangen gemiddeld slechts 1.601 euro netto per maand. Zij worden dus geacht om meer dan 750 euro per maand op te leggen.’
‘Ouderen zouden maximaal driekwart van hun nettopensioen moeten betalen voor een verblijf in een woonzorgcentrum.’
Herman Fonck, voorzitter belangenbehartiging OKRA
Om de betaalbaarheid ook in toekomst te garanderen en komaf te maken met de steeds verder groeiende kloof tussen pensioen en kamerprijzen, pleit OKRA daarom voor inkomens- en vermogensgerelateerde tarieven in de ouderenzorg.
‘Ouderen zouden maximaal driekwart van hun nettopensioen moeten betalen voor een verblijf in een woonzorgcentrum’, is Fonck stellig. Een dergelijke derdebetalersregeling via de zorgkassen wil OKRA aanvullen met middelen uit de erf- en schenkbelasting. ‘Alleen zo kunnen we garanderen dat ouderen de zorg krijgen waar ze recht op hebben’, aldus Fonck.
Duurdere prijs voor minder zorg
Terwijl commerciële woonzorgcentra de hoogste prijzen aanrekenen, blijkt uit de gegevens van OKRA dat zij gemiddeld minder zorgpersoneel in dienst hebben. In commerciële woonzorgcentra zijn er gemiddeld slechts 38 voltijdse zorgmedewerkers per 100 bewoners, in non-profitinstellingen 47 en in publieke instellingen 49.
Fonck stipt aan dat de gemiddelden de gigantische onderlinge verschillen verdoezelen. In sommige woonzorgcentra zijn er namelijk slechts 20 zorgwerkers per 100 bewoners, terwijl dat in andere tot 90 is. ‘Voor dezelfde kostprijs krijg je in het ene woonzorgcentrum vier keer meer handen aan het bed dan elders. Je moet dus bijna geluk hebben om goed terecht te komen.’
Rusthuizen halen norm niet
Bovendien halen 5 Vlaamse rusthuizen de norm van één verpleegkundige per tien bewoners niet. Nochtans is dat een verplichting volgens de Vlaamse regels. ‘Het verbaast niet dat bijna driekwart daarvan commerciële woonzorgcentra zijn’, zegt Fonck. ‘Die minimumbezetting moet onverkort worden afgedwongen in álle woonzorgcentra bij de komende hervorming van de personeelsnormen.’
OKRA verzet zich tegen een hervorming waarbij op vraag van de werkgevers de minimale normen voor verpleegkundigen en zorgkundigen zouden worden gehalveerd of, zelfs helemaal zouden worden geschrapt, legt Fonck uit.
‘Met de toenemende zorgbehoeften van bewoners van woonzorgcentra is er net meer en beter gekwalificeerd zorgpersoneel nodig. Tevens ontbreekt het aan een goede meting van kwaliteitsindicatoren en aan een preventief en proactief optreden van de zorginspectie’

