Volgens Billen zijn de meeste grootverdieners ook nu nog steeds mannen. ‘Het glazen plafond is dus nog niet doorbroken. Daarnaast zijn veel vrouwen tewerkgesteld in laagbetaalde beroepen met onzekere werkomstandigheden. Ofwel kunnen ze te weinig werken, denk maar aan (onvrijwillig) deeltijdsen in de schoonmaak of de zorg omdat het beroep veel te zwaar is om voltijds uit te oefenen, of moeten ze te veel werken zoals de gangbare 10-urendagen in de kinderopvang. Daar zijn velen gedwongen om door de stijgende energieprijzen zelfs nog flexi-jobs ernaast te doen om rond te kunnen komen.’
Uit het loonkloofrapport uit 2021, dat uitgegeven wordt door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM) en de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, blijkt dat de theoretische loonkloof 9,2 procent bedraagt, wanneer je alle lonen herrekent tot een voltijdse betrekking. De werkelijke loonkloof ligt echt een stuk hoger op 23,1 procent, wanneer je de effectief uitbetaalde lonen met elkaar vergelijkt. Hoewel beide cijfers licht gedaald zijn, ligt dit toch nog ver weg van het effectieve verdwijnen van de loonkloof, zoals de kop van het nieuwsartikel deed uitschijnen.
Ook het rapport van het IGVM volgt de analyse van Marte Billen, dat deeltijds werk de grootste katalysator van de loonkloof is. In 2018 werkte maar liefst 43,5 procent van alle vrouwen in een deeltijdse baan, terwijl dat bij mannen slechts 11 procent was. Bij arbeiders in de privésector ligt het aantal deeltijds werkende vrouwen zelfs nog hoger. Daar werkt meer dan zeven op de tien vrouwen niet voltijds, wat de loonkloof op 43 procent brengt. Mannen verdienen dus in het arbeidersstatuut bijna de helft meer dan vrouwelijke collega’s.
‘In het rapport zie je dat er ook een loonkloof bestaat in extralegale voordelen, waarbij een hoger percentage mannen daar aanspraak op maakt dan vrouwen. Dat komt grotendeels door het type job dat zij uitoefenen’, zegt Marte Billen. ‘En onderschat zeker niet het feit dat nog steeds meer vrouwen dan mannen hun loopbaan onderbreken om tijdelijk zorg op te nemen voor kinderen en familie. Dat heeft negatieve gevolgen voor hun sociale zekerheidsrechten en hun pensioenopbouw in het bijzonder. Waar de loonkloof rond de 20 procent ligt, is dat voor de pensioenen gemiddeld bijna 30 procent.’



