Concreet bevat het akkoord een heleboel zaken. Zo is er een verhoging in de tegemoetkoming van de verplaatsingen in dienstverband. Die is naar 28 eurocent per kilometer opgetrokken, een verdubbeling. Wie die verplaatsingen met de fiets maakt krijgt 25 eurocent per kilometer, het maximaal fiscaal toelaatbare. Voor het woon-werkverkeer krijgen zij ook een hogere tegemoetkoming. Die bedraagt voortaan 90 procent van de tarieven van het sociale abonnement. Verder is de voorwaarde om de eindejaarspremie te ontvangen, verkort naar 30 werkdagen en krijgen werkgevers zes maanden de tijd om een telefonische permanentie in te voeren.
In het akkoord is er ook een loonsverhoging voorzien van 0,4 procent, de marge die door de overheid is opgelegd. ‘Ik ben tevreden dat we deze zaken hebben kunnen realiseren, maar dit is niet voldoende’, duidt Kris Vanautgaerden, nationaal secretaris van de dienstenchequesector bij ACV Voeding en Diensten. ‘Op termijn moeten we gaan naar een substantiële verhoging van een euro per uur. Maar met de huidige loonmarge van 0,4 procent zou dat 40 jaar duren. Het wordt dus tijd dat wij met alle sociale partners dit probleem fundamenteel aanpakken, en in overleg gaan met de betrokken overheden.’
Preventie
De onderhandelingen voor dit sectoraal akkoord zijn afgerond, maar voor Kris Vanautgaerden is het werk nog niet gedaan. ‘Er zijn nog een aantal zaken waarrond wij bij voorrang willen werken. Zo hebben wij nu geen akkoord kunnen bereiken over bijvoorbeeld het medisch toezicht. We merken dat de baan van huishoudhulp op middellange en lange termijn heel belastend is voor het lichaam. Daarom moeten huishoudhulpen jaarlijks op een medische controle kunnen gaan. Zodat we die problemen preventief kunnen aanpakken. Op preventie en de gezondheid van de werknemers moeten we zeker meer inzetten.’
‘We moeten de overheid ook een signaal geven dat er een betere financiering van de sector moet komen. Daarvoor willen wij samenwerken met de werkgevers. Het zijn harde onderhandelingen geweest voor dit akkoord, maar nu wordt het tijd dat we vooruitkijken en samenwerken om die financiering in orde te brengen. Willen we de lonen en de werkomstandigheden verder verbeteren, dan zijn er extra middelen nodig. Een van de opties is om de prijs van een dienstencheque te verhogen. Die bedraagt momenteel negen euro en werd sinds 2014 niet meer aangepast. Extra middelen moeten dan integraal gebruikt worden voor een verbetering van het statuut van de werknemers. Dat is nodig om deze sector draaiende te houden.’

