‘Ik heb het in ons bedrijf opgezocht: we zijn met 40 arbeiders en hebben vorig jaar 8.000 overuren gedaan. Denken jullie echt dat wij de vrije keuze hadden om die overuren te doen?’ Met die ene vraag legt een werknemersafgevaardigde de vinger op de wonde.
Op papier klinkt flexibiliteit aantrekkelijk: weg van ‘9 to 5’, een extra inkomen, soms fiscaal voordelig of als aanvulling op het pensioen. In de praktijk betekent het voor veel arbeiders iets anders. Vaste jobs maken plaats voor goedkopere en flexibelere arbeidsvormen: flexi-jobs naast 4/5de contracten, dagcontracten, zogenaamd vrijwillige overuren, versnipperde uurroosters en slechter betaald nachtwerk.
Dit verhaal vertrekt niet uit theorie, maar uit de ervaringen van werknemers die via De Vormers vzw in gesprek gaan met parlementsleden Eva Platteau (Groen) en Robrecht Bothuyne (cd&v), beiden lid van de commissie Werk en Sociale Economie.
Het spanningsveld tussen het beleid en de realiteit van de werkvloer wordt snel duidelijk. Bothuyne schetst volgend economisch beeld: vacatures raken niet ingevuld, bedrijven staan onder druk en consumenten verwachten snelle leveringen en diensten. In die context, zegt hij, hebben bedrijven flexibiliteit nodig. Volgens hem staan werknemers vandaag door de krapte op de arbeidsmarkt sterker dan vroeger. Maar dat botst met wat werknemers ervaren, van die sterke positie merken ze niet veel: ‘Alles draait om cijfers: haal je de productie niet, dan lig je eruit, en werknemers worden tegen elkaar uitgespeeld.’
Platteau wijst erop dat flexibiliteit vandaag vooral van één kant komt, namelijk van werknemers: meer overuren, meer nachtwerk, altijd beschikbaar zijn. Als mensen tot 67 jaar moeten werken, benadrukt zij, dan moeten jobs ook werkbaar blijven.
Over overuren en flexwerk
Overuren vormen een belangrijk pijnpunt. Op papier zijn die vrijwillig, in de praktijk vaak niet. Natuurlijk willen mensen bijverdienen, maar doordat overuren steeds meer individueel geregeld worden en minder collectief, neemt de druk toe. Wie niet mondig of sterk genoeg staat, voelt hoe ‘vrijwillig’ langzaam verplicht wordt. Beide politici erkennen dat dit niet de bedoeling mag zijn. Ze wijzen erop dat dit geen toeval is maar het gevolg van keuzes in het stemhokje: bepaalde politieke partijen verzwakken bewust het collectieve overleg.
Ook flexwerk baart de deelnemers zorgen. Werknemers hopen op een stevig kader, zodat flexi-jobs geen vaste jobs vervangen en werkgevers minder sociale bijdragen moeten betalen. Beide politici beseffen dat flexibilisering kan doorslaan. Zo wordt de praktijk waarbij mensen 4/5de werken in de ene supermarkt en dat aanvullen met flexwerk in een andere, kritisch bekeken. Het Nederlandse model mag hier geen ingang vinden.
Politiek werkt pas als je mee aan tafel zit
Het gesprek eindigt met een duidelijke oproep. ‘Blijf ons uitnodigen,’ zegt Bothuyne. Eén ding werd in het gesprek glashelder: flexibilisering gebeurt niet zomaar. Ze wordt gemaakt door regels, door beleid en door politieke keuzes. En als werknemers niet mee aan tafel zitten, wordt er over hen beslist, in plaats van met hen.
Tekst Freija Luchtens
