Dat is geen toeval. De vermogensongelijkheid verdubbelde tussen 1970 en 2010 in verschillende Westerse democratieën, toonde Thomas Piketty aan. Ongelijkheid op basis van kapitaal – vastgoed, aandelen, financiële activa – ligt bovendien beduidend hoger dan inkomensongelijkheid, ook in België.
Ter illustratie, de rijkste 10 procent van de Belgen bezit ongeveer 53 procent van het totale vermogen, terwijl de top 10 procent inkomens slechts 33 procent van het totale inkomen ontvangt. Vermogen concentreert zich sterker dan arbeidsinkomsten.
De vermogensongelijkheid verdubbelde tussen 1970 en 2010 in verschillende Westerse democratieën.
Toch staat die vaststelling in schril contrast met het beperkte succes van het beleid dat die concentratie wil afremmen. In grote lijnen beschikken overheden over drie fiscale hefbomen tegen vermogensongelijkheid: belastingen op het netto vermogen, belastingen op meerwaarden uit vermogen en erfbelastingen. Elk instrument belooft herverdeling, maar botst op politieke en praktische grenzen.
Een belasting op het totale netto vermogen, en dus niet enkel de onroerende goederen, bestaat vandaag slechts in een handvol Europese landen: Noorwegen, Spanje en Zwitserland. De tarieven zijn relatief bescheiden en variëren van 0,2 tot 3,5 procent per jaar.
Robin Hood
Critici wijzen op de technische moeilijkheid om vermogens correct te waarderen, op ontwijking, kapitaalvlucht en op negatieve economische groei-effecten. Bijgevolg schafte Macron in 2018 de Franse impôt de solidarité sur la fortune grotendeels af ten voordele van een belasting op onroerende goederen. Economen als Gabriel Zucman pleiten intussen voor een herinvoering in aangepaste vorm.
De Spaanse solidariteitstaks leert dat het mogelijk is om vermogens in kaart te brengen, een massale uittocht van grootvermogenden te vermijden, en de economie te laten groeien.
De Spaanse ervaring nuanceert het doemdenken. Al bij al blijkt het mogelijk voor overheden om vermogens in kaart te brengen, een massale uittocht van grootvermogenden bleef uit, en de economie groeit. Je kan de belastingen evenmin als een soort Robin Hood-kip met gouden eieren beschouwen. De zogenaamde solidariteitstaks bracht in 2024 ongeveer 2 miljard euro op, een fractie van de 130 miljard euro aan opbrengst uit inkomensbelastingen.
Reynders-taks
Een tweede piste is de belasting op meerwaarden uit vermogen. België zet verdere stappen in die richting, na bijvoorbeeld de invoering van de Reynders-taks. De Federale regering plant om vanaf 2026 op gerealiseerde winsten uit financiële activa een belasting van 10 procent te heffen. Ook hier geldt dat de tarieven laag zijn en de impact op ongelijkheid daardoor beperkt blijft.
À propos, de Belgische regels omtrent het kadastraal inkomen zijn ook een voorbeeld van belastingen op meerwaarde, gecreëerd door onroerende goederen. Die zouden nog veel herverdelender ingezet kunnen worden, mochten ze de effectieve waarde van de grond en het pand reflecteren.
Tot slot is er de erfbelasting, vaak voorgesteld als het meest doeltreffende instrument. Vanuit het perspectief van gelijke kansen is dat logisch. Erfenissen versterken intergenerationele ongelijkheid zonder dat daar individuele verdiensten tegenover staan. Bovendien groeit hun belang.
The Economist schatte voor 2023 dat erfenisstromen goed waren voor zo’n 10 procent van het bbp in onder andere Zweden of Ierland, en tot bijna 20 procent in Italië. Belgische cijfers ontbraken.
Erf-aristocratie
Een nieuwe inheritocracy is in de maak. Niettemin bewegen beleidskeuzes in de tegenovergestelde richting. In veel westerse landen, en ook in Vlaanderen, werden erfbelastingen verlaagd. De publieke steun ervoor is zwak: in enquêtes ervaren burgers ze vaak als onrechtvaardig. Erfbelasting is technisch complex en minder zichtbaar dan bijvoorbeeld inkomensbelastingen of BTW.
Politiek reageert sterker op duidelijke en sterke voorkeuren. Zo wegen de belangen van vermogende eigenaars zwaarder door dan de zwak gemobiliseerde steun van huurders.
Huiseigenaars, vooral zij met dure woningen, zijn doorgaans beter geïnformeerd en hebben duidelijke belangen. Huurders en mensen met beperkte vermogens ervaren de belasting als abstract of irrelevant, en geven in peilingen opvallend vaak aan geen uitgesproken mening te hebben of het systeem nauwelijks te kennen.
Politiek reageert sterker op duidelijke en sterke voorkeuren. Zo wegen de belangen van vermogende eigenaars zwaarder door dan de zwak gemobiliseerde steun van huurders. Huurders stemmen overigens vaker op protestpartijen, die minder vaak regeren.
Kortom, vermogensongelijkheid zal blijven toenemen zolang grote groepen burgers geen uitgesproken positie innemen over belastingen op vermogen, en de politieke besluitvorming gevoeliger blijft voor de belangen van vermogenden.

