Jarenlang heeft dit systeem niet alleen gezinnen in moeilijkheden gebracht, maar ook een hele ‘schuldindustrie’ laten ontstaan, met incassobureaus, deurwaarders en procedures die vaak meer kostten dan ze opleverden.
Beweging.net en diverse diensten voor schuldbemiddeling kaartten enkele jaren geleden het probleem van die schuldindustrie aan. Met de invoering van het nieuwe boek XIX van het Wetboek Economisch Recht (WER), beter bekend als de wet ‘Schulden van de consument’, heeft de wetgever een duidelijke koerswijziging ingezet.
Sinds 1 september 2023 gelden nieuwe regels die consumenten beter moeten beschermen tegen buitensporige kosten en die schuldeisers aanzetten om eerst naar minnelijke oplossingen te zoeken, in plaats van snel te escaleren richting invordering en procedures. Drie jaar na de invoering is het tijd voor een evaluatie. Die werd opgestart door de FOD Economie.
Sinds 1 september 2023 gelden nieuwe regels die consumenten beter moeten beschermen tegen buitensporige kosten en die schuldeisers aanzetten om eerst naar minnelijke oplossingen te zoeken.
In de schoot van BV-OECO (Belgische Vereniging voor Onderzoek en Expertise voor Consumentenorganisaties) konden vakbonden, beweging.net en diverse diensten voor schuldbemiddeling hun evaluatie samenbrengen en verwerken tot een position paper. Deze position paper zal met de verantwoordelijke ministers, respectievelijk van economie en van consumentenbescherming, worden besproken.
Verwijlintresten
Laten we eerst in herinnering brengen wat in 2023 werd beslist. Een van de meest zichtbare veranderingen die boek XIX WER met zich meebrengt, is de verplichte gratis eerste herinnering. Wanneer een consument een factuur niet op tijd betaalt, moet de schuldeiser hem of haar eerst zonder bijkomende kosten herinneren aan die openstaande betaling. Die herinnering moet bovendien een betaaltermijn van minstens veertien dagen bevatten.
Pas wanneer die termijn is verstreken, mogen eventuele kosten of interesten worden aangerekend. Voor wie regelmatig facturen ontvangt, zoals bij energie, water of telecom, gaat de bescherming nog verder. In dat geval moeten de eerste drie betalingsherinneringen per kalenderjaar kosteloos zijn. Pas vanaf een vierde laattijdige betaling mag een beperkte kost worden aangerekend, en ook die kost is strikt begrensd.
Met deze regeling erkent de wetgever dat laattijdige betaling vaak voortkomt uit tijdelijke moeilijkheden of eenvoudige vergetelheid, en niet noodzakelijk uit onwil.
Daarnaast stelt de wet duidelijke grenzen aan wat schuldeisers financieel mogen aanrekenen. Zowel de forfaitaire kosten bij niet-betaling, ook wel schadebedingen genoemd, als de verwijlintresten zijn geplafonneerd. De bedoeling daarvan is te vermijden dat een relatief klein bedrag door opeenvolgende aanmaningen en kosten uitgroeit tot een onoverzienbare schuld. Een openstaande factuur van enkele tientallen euro’s kan daardoor niet langer ontsporen tot honderden euro’s extra kosten.
Incassobureaus
Een fundamentele breuk met het verleden is ook de nieuwe regeling rond externe schuldinvordering. Wanneer een schuldeiser beslist om een incassobureau, gerechtsdeurwaarder of advocaat in te schakelen in de minnelijke fase, mogen de kosten daarvan niet langer automatisch worden doorgeschoven naar de consument.
In plaats daarvan geldt het principe dat wie kiest voor externe invordering, die ook zelf betaalt. Deze regel neemt een belangrijke financiële prikkel weg om snel en hard te gaan invorderen.
Jarenlang was het uitgangspunt dat wie niet tijdig betaalde, vooral moest worden geconfronteerd met druk. Boek XIX WER kiest voor een andere aanpak vanuit de idee dat het beter is problemen te voorkomen dan te genezen.
Tot slot zet de wet sterk in op meer informatie en ademruimte voor mensen met betalingsproblemen. Consumenten moeten geïnformeerd worden over hun rechten en over de mogelijkheden om een afbetalingsplan, schuldbemiddeling of collectieve schuldenregeling aan te vragen. Zodra zo’n traject wordt opgestart, wordt de invordering tijdelijk geschorst. Schuldinvorderaars krijgen daarbij een actieve rol opgelegd: zij moeten mensen niet alleen informeren, maar ook daadwerkelijk doorverwijzen naar hulp.
Met de schuldenwet voor consumenten laat de wetgever een oud automatisme los. Jarenlang was het uitgangspunt dat wie niet tijdig betaalde, vooral moest worden geconfronteerd met druk, kosten en dreiging met procedures. Boek XIX WER kiest voor een andere aanpak en vertrekt vanuit de idee dat het beter is problemen te voorkomen dan te genezen. Door gratis herinneringen en strikte plafonds op kosten wordt vermeden dat schulden al in een vroeg stadium escaleren.
Tegelijk erkent de wet dat mensen geen dossiers zijn, maar burgers die soms tijdelijk in de knoop raken door ziekte, werkloosheid, verhuis, relatiebreuken of administratieve problemen. Tot slot verlegt de wet de focus expliciet naar minnelijke oplossingen en maakt ze duidelijk dat gerechtelijke stappen niet de standaard mogen zijn, maar het laatste redmiddel.
Opvallend is dat deze aanpak niet alleen in het voordeel van consumenten werkt. Ook schuldeisers blijken in de praktijk vaak sneller en efficiënter hun geld te recupereren wanneer zij inzetten op duidelijke communicatie en werkbare oplossingen, in plaats van op kostenoploop en juridische dreiging. Toch wordt stilaan duidelijk dat deze positieve koers nog niet automatisch leidt tot een rechtvaardig en sluitend systeem.
Waar het in de praktijk nog wringt
Ondanks de plafonds die werden ingevoerd, blijven de toegelaten kosten en intresten voor veel gezinnen moeilijk verteerbaar. Zeker voor kwetsbare huishoudens liggen sommige maxima nog steeds hoog. Bovendien zijn de regels complex opgebouwd, waardoor het voor consumenten nauwelijks te achterhalen is welk bedrag nu precies wettelijk mag worden aangerekend.
Dat gebrek aan transparantie ondergraaft het vertrouwen in de bescherming die de wet beoogt te bieden.
Een tweede probleem situeert zich bij de toepassing van de wet. Niet alle schuldeisers hanteren de regels op dezelfde manier. Vooral bij schulden tegenover lokale overheden, parkeerretributies of nutsvoorzieningen ontstaat discussie over de vraag of de nieuwe wet wel van toepassing is. Het gevolg is rechtsongelijkheid. Twee consumenten met vergelijkbare betalingsproblemen kunnen toch verschillend worden behandeld, afhankelijk van wie hun schuldeiser is.
Nog lang niet alle ondernemingen hebben hun algemene voorwaarden aangepast. Die bevatten nog vaak onrechtmatige bedingen, of vermelden te hoge, onwettelijke kosten.
Ten derde schort nog een en ander aan de kwaliteit van de ingebrekestellingen die door een schuldeiser of invorderaar aan de schuldenaar worden bezorgd. Onvolledige contactgegevens van de invorderaar, of het ontbreken van essentiële informatie (zoals bewijsstukken opvragen, over betwistingsprocedure, of over afbetalingsfaciliteiten) komen nog vaak voor.
Op dit vlak zou het goed zijn dat er een model-ingebrekestelling komt die door invorderaars kan worden gebruikt en dat de schuldinvorderaar niet alleen bij een huisbezoek, maar ook schriftelijk moet aangeven waar hulp kan gevraagd worden bij betalingsproblemen.
Verder hebben nog lang niet alle ondernemingen hun algemene voorwaarden (op de achterzijde van elke factuur) aangepast en bevatten deze nog vaak onrechtmatige bedingen, vermelden ze nog aanrekening van te hoge, onwettelijke kosten en ontbreekt de wederkerigheid. Hier is dringend een informatie- en sensibiliseringscampagne nodig, zeker gericht op kmo’s. Om wetgeving effectief te laten naleven, is controle en handhaving nodig.
Schuldbemiddeling te laat op gang
Ook het moment waarop informatie wordt verstrekt, blijkt niet altijd ideaal. Net in de fase van de eerste herinnering, wanneer een schuld nog beheersbaar is, blijft de uitleg vaak beperkt. Veel consumenten weten dan nog niet dat zij een schuld kunnen betwisten, inzage kunnen vragen in bewijsstukken of hulp kunnen zoeken bij schuldhulpverlening. Wanneer die informatie pas later volgt, is de situatie vaak al verergerd.
Verder komt schuldbemiddeling in de praktijk vaak te laat op gang. Hoewel de wet voorziet in schorsingen bij de opstart van zo’n traject, blijkt die bescherming soms te kort of te strikt in timing. Schuldbemiddelaars hebben tijd nodig om een volledig overzicht te krijgen van de schulden, de wettigheid ervan te controleren en een haalbaar voorstel uit te werken. Die noodzakelijke ademruimte ontbreekt nog te vaak.
Zodra een schuld betrekking heeft op een consument, zou dezelfde bescherming moeten gelden, ook wanneer de schuldeiser een overheid of publieke instantie is.
Een eerste en relatief eenvoudige verbetering bestaat erin de plafonds voor kosten en interesten verder te verlagen en te vereenvoudigen. Door verwijlinteresten te koppelen aan de gewone wettelijke rente, in plaats van aan hogere commerciële tarieven, blijft het systeem beter afgestemd op de realiteit van consumenten.
Heldere en eenduidige maxima zouden bovendien de begrijpelijkheid van de regels vergroten. Daarnaast is er nood aan een consequente toepassing van boek XIX WER voor alle schuldeisers. Zodra een schuld betrekking heeft op een consument, zou dezelfde bescherming moeten gelden, ook wanneer de schuldeiser een overheid of publieke instantie is. Of wanneer een schuldeiser zelf de minnelijke invordering toepast.
Sectorale uitzonderingen die tot een lagere bescherming leiden, ondergraven de doelstelling van de wet en moeten worden vermeden. Een sterkere controle door de bevoegde overheidsdiensten is daarbij essentieel.
Impact vergroten
De impact van de wet kan nog worden vergroot door vroeger en duidelijker te informeren. De eerste gratis herinnering is het ideale moment om consumenten niet alleen te wijzen op de betalingsachterstand, maar ook op hun rechten, de mogelijkheid om bewijs op te vragen en de plaatsen waar zij terechtkunnen voor hulp. Dergelijke informatie kan voorkomen dat kleine problemen uitgroeien tot structurele schulden.
Schuldbemiddeling verdient tot slot een stevigere plaats in het systeem. In plaats van een noodoplossing zou het een volwaardig en laagdrempelig onderdeel moeten zijn van de schuldinvordering. Flexibelere en langere schorsingen, een verplichte medewerking van schuldeisers en een vlottere toegang tot documenten voor bemiddelaars kunnen het verschil maken tussen een tijdelijke oplossing en een duurzame uitweg uit schulden.
De wet ‘Schulden van de consument’ betekent zonder twijfel een belangrijke stap vooruit. Voor het eerst wordt expliciet gebroken met een systeem dat schulden liet ontsporen en waarin kostenoploop bijna vanzelfsprekend was. De nieuwe regels leggen de nadruk op menselijkheid, preventie en overleg, en erkennen dat schulden vaak het gevolg zijn van kwetsbare levenssituaties.
Tegelijk tonen de eerste jaren van toepassing aan dat verdere bijsturing noodzakelijk is. Lagere en begrijpelijkere plafonds, een uniforme toepassing van de regels, betere informatieverstrekking en een versterkte rol voor schuldbemiddeling zijn geen breuk met de wet, maar net een logische volgende stap.
Doorgaan met het sluitstuk
Wie schulden en armoede ernstig wil bestrijden, moet blijven investeren in een systeem dat mensen ondersteunt zolang tussenkomst nog zinvol is. De deur is op een kier gezet, nu is het zaak ze verder open te duwen. De evaluatie van boek XIX is daarin een eerste belangrijke stap, maar daar stopt het wat ons betreft niet.
In mei 2025 werd ook de wet ‘Overmatige schuldenlast’ goedgekeurd. Ook deze wet moet tijdig geëvalueerd en bijgestuurd worden. We rekenen hiervoor op minister van Justitie Annelies Verlinden (cd&v).
Een nieuwe aparte buitengerechtelijke procedure voor de inning van niet‑betwiste consumentenschulden, voorgenomen door de regering, dreigt te worden misbruikt om de verbeterde bescherming te omzeilen.
Verder vestigen we de aandacht op het voornemen van de federale regering om, zoals in het regeerakkoord staat, een IOS‑procedure B2C in te voeren, ofwel een aparte buitengerechtelijke procedure voor de inning van niet‑betwiste consumentenschulden. De leden van BV-OECO zijn het daar niet mee eens en keuren de IOS-procedure B2C principieel af, omdat die in de praktijk de overgang van minnelijke invordering naar gerechtelijk invordering juist zal vergemakkelijken en versnellen, met hieraan verbonden een kostenoploop en een groter risico op schuldoverlast.
Verder vrezen de ondertekenaars van de position paper dat de procedure bewust zal worden misbruikt om de bescherming van boek XIX WER te omzeilen.
Als laatste is het nodig om werk te maken van een hervorming van de collectieve schuldenregeling. In de vorige legislatuur werd wel een ontwerp van wet op tafel gelegd, maar die werd niet meer afgewerkt.
Deze hervorming mag niet van de politieke tafel verdwijnen, omdat het als doel heeft ook de collectieve schuldenregeling minnelijker te maken. Ze vormt het sluitstuk van de grondige hervorming van de schuldindustrie. Ook hiervoor rekenen we op de minister van Justitie.

