Geen zorgen: alles wat je aan vakantiedagen en vakantiegeld hebt opgebouwd met werken, krijg je nog uitbetaald nadat je met pensioen gaat. Ben je arbeider, dan gebeurt dat via de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie (RJV) of de vakantiekas van jouw sector. De betalingen door RJV en vakantiefondsen vinden elk jaar plaats in de maanden mei en juni. Als bediende krijg je meestal een eindafrekening via je werkgever of sociaal secretariaat. Dat geld ontvangen bedienden doorgaans kort nadat ze met pensioen gaan.
Maar ook daarna ontvang je als gepensioneerde nog vakantiegeld via de Federale Pensioendienst (FPD). Toch kan het even lijken alsof je iets mist, want dat vakantiegeld komt er pas vanaf het tweede volledige kalenderjaar na je pensioen. Dit betekent concreet: ga je bijvoorbeeld in oktober 2025 met pensioen, dan krijg je in mei 2026 geen vakantiegeld via de FPD. Je ontvangt het pas in mei 2027 voor het eerst.
Overgangsjaar
Met die wachttijd wordt vermeden dat er twee keer vakantiegeld wordt betaald voor dezelfde periode, eerst via je werk en kort daarna via je pensioen. Vanaf dat tweede jaar ontvang je elk jaar in mei een bedrag dat afhangt van jouw pensioensituatie. In 2025 gaat het maximaal om 1.494,18 euro bruto voor een gezinspensioen en 1.195,34 euro bruto voor een alleenstaanden- of overlevingspensioen. Je verliest dus geen vakantiegeld bij pensionering, maar er is een overgangsjaar waarin je even moet wachten tot de Federale Pensioendienst het overneemt.

