Wie een ‘vreemde’ naam heeft, of een lagere sociale status, krijgt minder kansen, zowel op de werkvloer als op de huurmarkt. Dat toont een nieuwe, wereldwijde studie door onderzoekers van de UGent en de VUB. ‘Discriminatie en uitsluiting moeten expliciet worden afgewezen en actief bestreden, zowel op de werkvloer als in het beleid’, reageert Stijn Gryp, nationaal secretaris van het ACV. ‘Talent en inzet moeten doorslaggevend zijn, niet de naam op een cv.’
Het onderzoek analyseerde de resultaten van 463 praktijktesten. Dat zijn experimenten waarbij fictieve kandidaten met identieke profielen maar een verschillende naam of achtergrond worden ingezet. De universiteit onderzocht resultaten uit tientallen landen wereldwijd. Vijf groepen stonden centraal: mensen met een migratieachtergrond, vrouwen of mannen, mensen met een gezondheidsprobleem of handicap, lgbtqi+-mensen en mensen met een lagere sociale status.
Hardst getroffen op het werk: wie een ‘vreemde’ naam heeft
Het meest uitgesproken verschil vinden de onderzoekers bij de etnische herkomst. Op de arbeidsmarkt ontvangen kandidaten met een naam die gelinkt wordt aan een minderheidsgroep wereldwijd gemiddeld 29 procent minder positieve reacties. Op de huurmarkt is dat 17 procent. Op de werkvloer is het contact intenser dan in een verhuurrelatie, zo luidt de verklaring. Werkgevers vrezen de reactie van klanten en collega’s. Die intensiteit drijft de discriminatie hoger op.
Gryp wijst erop dat de hardnekkigheid van dat patroon bijzonder verontrustend is. ‘Discriminatie op de arbeidsmarkt blijft aanwezig, zelfs in tijden van krapte. Dat is onaanvaardbaar.’ Het ACV vraagt daarom volledige transparantie rond praktijktesten, met opvolging door sectorale sociale partners, correcte registratie van sollicitaties en verplichte feedback aan kandidaten.
‘Discriminatie op de arbeidsmarkt blijft aanwezig, zelfs in tijden van krapte. Dat is onaanvaardbaar.’
Stijn Gryp, nationaal secretaris van het ACV
Werkgevers die blijven discrimineren moeten worden aangepakt, bijvoorbeeld via uitsluiting van overheidssteun. Steunmaatregelen moeten worden gekoppeld aan effectieve kansen voor kwetsbare groepen.
Op de huurmarkt betaalt wie minder heeft
Voor sociale status zien de onderzoekers het omgekeerde patroon. Mensen met een lager inkomen of een bescheidener beroepsprofiel krijgen op de huurmarkt gemiddeld 34 procent minder kansen. Op de arbeidsmarkt valt dat verschil nauwelijks te meten.
Verhuurders dragen zelf het financiële risico van huurachterstanden en leunen daardoor zwaarder op sociaaleconomische signalen. Wettelijk mogen ze de bron van een inkomen – zoals loon of uitkering – niet laten meespelen. In de praktijk gebeurt dat toch.
Voor mensen met een gezondheidsprobleem, een handicap of een partner van hetzelfde geslacht vinden de onderzoekers geen significant verschil tussen beide markten. Niet omdat er geen discriminatie is, maar omdat ze op beide markten even sterk aanwezig is.
Een gerichte aanpak is nodig
De centrale les van het onderzoek is dat een en dezelfde aanpak voor zowel de arbeids- als huurmarkt tekortschiet. Discriminatiepatronen verschillen per groep en per markt. Op de arbeidsmarkt verdient etnische herkomst bijzondere beleidsaandacht. Op de huurmarkt is dat sociale status, en wijzen de onderzoekers op de nood aan een sterk sociaal woonbeleid. Een ruimer aanbod van sociale woningen vermindert de druk op de private markt en verkleint de kans dat verhuurders kandidaten op basis van hun sociaaleconomisch profiel wegschermen.

