Vorige week luidden studentenhuisvesters de alarmbel in de media: tegen 2030 zouden er nog eens 70.000 extra studentenkoten nodig zijn. Een indrukwekkend cijfer, dat meteen paniek en bouwplannen op gang moet brengen. Maar klopt dit wel? Of is het vooral een slimme marketing van een sector die baat heeft bij groei?
Laten we even kijken naar de cijfers
De afgelopen vijf jaar kwamen er al 25.000 koten bij. De vraag is dus niet of er gebouwd wordt, maar of het snel genoeg gaat. Volgens de vastgoedsector alvast niet. De huurprijzen stijgen, en de schuld daarvoor wordt bij het kotentekort gelegd. Maar misschien is het tijd om ook te kijken naar wie daar baat bij heeft.
Wie heeft er baat bij het kotentekort?
Want hoe komen we aan die 70.000? De demografische vooruitzichten tonen wel een lichte stijging van het aantal jongeren tussen 13 en 18, maar zeker geen explosie. Bovendien kiest niet iedereen voor hoger onderwijs, en gaat niet elke student op kot. In 2014 lag de kotratio op 46%. In steden zoals Hasselt ligt dat percentage nog een stuk lager.
En dan vergeten we nog iets: de betaalbaarheid. In een economische context waarin steeds meer gezinnen het financieel moeilijk hebben, is een kot vaak een luxe die simpelweg niet haalbaar is. Zelfs als er meer jongeren willen studeren, betekent dat niet automatisch dat ze op kot zullen (of kunnen) gaan.
En als die toename er dan toch komt?
Dan moeten niet alleen projectontwikkelaars zich voorbereiden, maar ook onze hogeronderwijsinstellingen. Want als we echt richting 140.000 extra studenten zouden gaan – zoals vastgoedexperts lijken te suggereren – dan rijst de vraag: waar gaan we die allemaal onderbrengen, lesgeven, begeleiden? Universiteiten en hogescholen kreunen vandaag al onder de druk. En de financiering per student staat al jaren onder druk. Als we de instroom vergroten, zonder tegelijk het onderwijsbudget stevig op te trekken, dan betalen studenten en personeel daar straks de prijs voor. Niet in bakstenen, maar in kwaliteit.
De cijfers tonen dat na 2030 het aantal 18-jarigen weer daalt. Waar blijven we dan met al die koten? Gaan we richting een overschot, zoals bij de vele serviceflats?
En wat na 2030?
Dat lijkt in het hele debat zorgvuldig verzwegen te worden. Want de cijfers tonen dat na 2030 het aantal 18-jarigen weer daalt. Fors zelfs. Waar blijven we dan met al die koten? Gaan we richting een overschot, met leegstand en een nieuwe vastgoedcrisis als gevolg? Klinkt bekend? Kijk maar naar de vele serviceflats die jaren geleden massaal werden gebouwd als 'grote nood' en nu vaak leegstaan, omdat ze te duur zijn voor de gemiddelde gepensioneerde. En waar men nu kijkt naar de overheid om dat op te lossen. Het lijkt er op dat we opnieuw dezelfde fout gaan maken.
Moeten we nog meer stedelijke ruimte volbouwen, met dure, winstgerichte projecten? Of kunnen we inzetten op creatieve oplossingen?
We moeten ook durven na te denken over de ruimtelijke impact van al die koten. Moeten we nog meer stedelijke ruimte volbouwen, met dure, winstgerichte projecten? Of kunnen we inzetten op creatieve oplossingen: co-housing, het herbestemmen van bestaande panden, het stimuleren van lokale gastgezinnen, of beter openbaar vervoer zodat pendelen haalbaar blijft? Niet elke maatschappelijke uitdaging los je op met meer beton.
Kortom: hebben we een kotentekort, of een realiteitsinfarct?
Laten we niet zomaar meegaan in de hype van vastgoedlogica verpakt als noodkreet. Wat we nodig hebben is een breed debat over betaalbaar, duurzaam én doordacht studentenwonen. En over de structurele investeringen in ons onderwijs die daarbij horen. Niet alleen voor vandaag, maar ook voor morgen.
Want anders bouwen we straks niet alleen koten, maar luchtkastelen.
Carien Neven

Deze opiniebijdrage verscheen op zaterdag 12 april in Het Belang van Limburg.
