Ondanks de opeenvolgende corona- en energiecrisis en de hoge inflatie ligt de koopkracht van Belgen vandaag gemiddeld vier procent hoger dan vijf jaar geleden. Dat leren cijfers van de Nationale Bank.
We danken dat vooral aan de index, die de lonen automatisch koppelt aan de stijgende kosten voor het levensonderhoud, en aan steunmaatregelen van de Vivaldi-regering, zoals het uitgebreide sociaal energietarief en de btw-verlaging op energie. In tegenstelling tot veel andere landen moesten werknemers bij ons niet eerst op straat komen om een loonsverhoging te eisen.
‘In de maakindustrie bedragen de loonkosten maar tien procent van de vraagprijs voor producten. Minder dan in Duitsland of Frankrijk.'
Hielke Van Doorslaer, Denktank Minerva
Desondanks moesten de laagste inkomens wel inboeten op koopkracht, toont een andere studie van de UGent.
‘Door de snellere loonsverhogingen is er een tijdelijke verslechtering van de concurrentiekracht geweest’, zei Geert Langenus van de Nationale Bank in De Tijd. ‘Maar de verwachting is dat die in drie jaar is weggewerkt.’ Rechtse politici zien in een verlies aan concurrentiekracht een argument om de automatische loonindexering in het vizier te nemen, maar klopt dat verhaal wel?
Bedrijfssubsidies
‘In de maakindustrie bedragen de loonkosten maar tien procent van de vraagprijs voor producten’, legt politiek econoom Hielke Van Doorslaer van Denktank Minerva uit. ‘Dat is minder dan in Duitsland of Frankrijk, en vergelijkbaar met Nederland.’
Het aandeel van stijgende lonen in duurdere productiekosten is dus relatief beperkt, en ook de stijging van de uurloonkosten houdt gelijke tred met de buurlanden.
Bovendien becijferde de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, die het verschil in uurlonen met de buurlanden moet berekenen, dit jaar dat de Belgische uurloonkostprijs in 2022 3,8 procent lager lag dan in de buurlanden, rekening houdend met bedrijfssubsidies en belastingvoordelen.
‘Dat betekent ook dat een vermindering van de loonkosten, door bijvoorbeeld een indexsprong, weinig verschil maakt in de uiteindelijke prijszetting en voor de concurrentiekracht’, besluit Van Doorslaer.

