De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) publiceert om de vier jaar een ‘werkbaarheidsmonitor’. Die bevraging bij duizenden werknemers in Vlaanderen geeft weer in welke mate ze een ‘werkbare baan’ hebben. Of kampen ze met ‘werkbaarheidsknelpunten’, zoals werkstress, motivatieproblemen, een gebrek aan leermogelijkheden, of een moeilijke werk-privécombinatie?
De recentste meting van 2023 wees uit dat globaal iets meer de helft van de Vlaamse werknemers een werkbare baan heeft. Dat cijfer bleef in de laatste twintig jaar min of meer stabiel. Vooral werkstressklachten – bij meer dan een derde van alle werknemers – zijn de afgelopen jaren een zorgpunt.
Onlangs bracht de SERV meer gedetailleerde cijfers op sectorniveau uit. Daarin springt de chemiesector eruit voor het aandeel werknemers met een werkbare baan (60,1 procent). Ze lijden ook iets minder aan werkstress. Wel neemt het aandeel werknemers met een ‘acuut hoge werkdruk’ er toe.
Tot aan het pensioen
Werknemers in de bouw-, voeding- en metaalsector rapporteren doorsnee cijfers over werkbaar werk. Ten opzichte van twintig jaar geleden is de vooruitgang voor werkbaar werk in alle sectoren verwaarloosbaar.
In de bouwsector ligt het aandeel werk–nemers dat hun huidig werk denkt te kunnen volhouden tot aan het pensioen wel flink lager dan in andere sectoren.
In de bouwsector ligt het aandeel werk–nemers dat hun huidig werk denkt te kunnen volhouden tot aan het pensioen wel flink lager dan in andere sectoren. Meer dan dubbel zoveel werknemers dan gemiddeld krijgen er te maken met een zware fysieke belasting. Ook in de metaalsector is de fysieke belasting hoog, maar daar denken meer werknemers hun baan te kunnen volhouden.
Opvallend is dat in de bouwsector het aandeel werknemers met een acuut werk-privéprobleem stijgt en hoger ligt dan elders. Misschien heeft de hoge telefonische bereikbaarheid buiten de werkuren daar iets mee te maken. De gemiddelde effectieve arbeidsduur van voltijdse werknemers ligt er bovendien hoger dan in andere sectoren (43,8 uur per week).
Steun van een leidinggevende
In de voedingssector is vooral routinematig werk een probleem, net als een gebrek aan autonomie. Een kwart van de werknemers kampt er bovendien met ‘belastende arbeidsomstandigheden’, ofwel fysiek zwaar werk met een aanzienlijk risico op arbeidsongevallen.
In eerdere metingen vertoonden werknemers in de voedingssector meer motivatieproblemen dan in andere sectoren, maar dat verschil lijkt inmiddels weggewerkt. Wel blijft er een aanzienlijk probleem met opleidingsmogelijkheden. Meer dan een op de vijf werknemers heeft onvoldoende leermogelijkheden.
Meer dan een op de vijf werknemers in de voedingssector heeft onvoldoende leermogelijkheden.
Dan is er beter nieuws in de bouw- en metaalsector, waar de leermogelijkheden toenemen. Toch volgt daar nog steeds een minderheid van de werknemers een bijscholing of training op het werk. Ook de autonomie op het werk is sterk verbeterd ten opzichte van 2004. Maar zowel in de bouw- als in de metaalsector ondervinden werknemers vaker onvoldoende steun van een leidinggevende.
‘De ongezonde cocktail van een dalende motivatie en nog steeds gebrekkige leermogelijkheden belooft weinig goeds met het oog op de toekomst van de metaalsector die het momenteel erg zwaar heeft’, zegt Tom Van Looy van ACV-CSC METEA

