Extra pensioeninkomsten kun je opbouwen met een aanvullend pensioen via de werkgever. Dat is de zogenaamde tweede pensioenpijler. Al is dat is niet iedereen gegeven, want niet alle werkgevers bieden een aanvullend pensioen. Dat concludeerde overheidsorganisatie Sigedis. Bij de laagste lonen bouwt slechts een op de drie werknemers een aanvullend pensioen op. Bij de hoogste lonen is dat 87 procent.
Maar ook het bedrag dat als aanvullend pensioen opgebouwd wordt, stijgt naarmate het loon toeneemt. Een laag loon blijft je dus ook na je pensioen achtervolgen, stelt het Rekenhof vast na een ontnuchterende studie. Hoewel driekwart van de beroepsbevolking een aanvullend pensioen opbouwt, levert het voor een deel van hen op de pensioenleeftijd slechts een habbekrats op.
Een op de tien mensen die de pensioenleeftijd nadert heeft tijdens een hele loopbaan amper 443 euro of minder bij elkaar kunnen sparen. Aan de andere kant kan een op de tien werknemers rekenen op een spaarpot tussen 200 000 euro en 8 miljoen euro als aanvullend pensioen.
Ongelijke verdeling
Beide overheidsinstellingen komen dus tot dezelfde conclusie: het aanvullend pensioen is zeer ongelijk verdeeld. Vooral de hoogste lonen genieten ervan en kunnen na het pensioen terugvallen op een comfortabele regeling. Geen hoog loon? Dan spaar je op een hele loopbaan misschien amper de administratiekosten samen.
Politiek leek er eind augustus eindelijk wat te bewegen. Maar liberale partijen lieten al meteen verstaan niet te willen raken aan het bestaande systeem en de scheefgetrokken situatie van de aanvullende pensioenen. Minister van Pensioenen Lalieux (PS) schopte daarop de bal naar de sociale partners.

