Door de import en consumptie van producten die ontbossing veroorzaken, heeft de Europese Unie belangrijke hefbomen in het beleid tegen ontbossing. Vanuit dat besef is Europese wetgeving tot stand gebracht om hier iets aan te doen, de Europese Ontbossingsverordening (EUDR).
Jammer genoeg is die wet ondertussen, nog voor de inwerkingtreding, al twee keer uitgesteld en afgezwakt. Het is nu cruciaal om verder te werken aan een grondige en geslaagde uitvoering, want het stoppen van ontbossing is er alleen maar urgenter en relevanter op geworden.
Jaar na jaar gaat een oppervlakte aan tropisch oerwoud tegen de vlakte die vergelijkbaar is met de oppervlakte van België.
Bossen zijn van onschatbare waarde. Ze voorzien ons van hout, een heleboel andere materialen en van voedsel. Bomen en bossen beschermen ons tegen hitte, droogte, overstromingen. Ze halen en houden enorme hoeveelheden CO2 uit de atmosfeer en zijn zo een onmisbare klimaatbuffer. En ze zijn een thuis voor het overgrote deel van de wereldwijde biodiversiteit.
De toekomst van bossen wereldwijd wordt echter enorm bedreigd. Ze blijven aan alarmerend tempo verdwijnen om plaats te maken voor landbouw, infrastructuur of mijnbouw. Overblijvende bossen worden steeds meer aangetast door het samenspel van overexploitatie, opdeling en klimaatverandering. In een vicieuze cirkel versterken droogte, bosdegradatie en bosbranden elkaar.
Tropische regenwouden verliezen we het snelst. Jaar na jaar gaat een oppervlakte aan tropisch oerwoud tegen de vlakte die vergelijkbaar is met de oppervlakte van België. Dat komt ruwweg overeen met 10.000 hectaren per dag, evenveel als de ambitie van de Vlaamse regering voor bosuitbreiding in Vlaanderen tegen 2030. Dat cijfer gaat enkel nog maar over primair bos: bossen die tot nu toe altijd bos zijn geweest. Die zijn voor hun natuurwaarde en de ecosysteemdiensten die ze leveren zo goed als onvervangbaar.
Maar ook het totale ontbossingscijfer houdt koppig aan: om en bij de 8 miljoen hectaren per jaar. Sinds 2021, het jaar waarin op de klimaattop in Glasgow meer dan 140 landen plechtig beloofden om ontbossing tegen 2030 definitief te stoppen, is er nog geen merkbare daling ingezet.
Soja en palmolie
Ontbossing veroorzaakt minstens 10 procent van de uitstoot van broeikasgassen. Door alle druk op bossen komt hun rol als cruciale koolstofput – goed voor de heropname van een derde van de uitstoot van fossiele brandstoffen – steeds meer in het gedrang. Overblijvende bossen slaan nog steeds heel veel CO2 op, maar door ontbossing en bosbranden komen we gevaarlijk dicht bij het kantelpunt waarbij boslandschappen netto meer zullen uitstoten dan ze opslaan.
Wetenschappers hebben negen biofysische processen geïdentificeerd die op globale schaal de voorwaarden voor een leefbare samenleving beïnvloeden, en voor elk van die systemen grenzen ingeschat die we best niet overschrijden. Die processen kunnen tegen een stootje, maar eens in de risicozone kan grootschalige verandering plots en onomkeerbaar zijn.
Voor zeven van die negen planetaire grenzen zouden we al in de gevarenzone zitten. Ontbossing is rechtstreeks gekoppeld aan vier ervan: klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, landgebruik en de watercyclus. Het is dus geen overdrijving om te stellen dat ontbossing een probleem is van existentieel kaliber.
Voor zeven van de negen planetaire grenzen zouden we al in de gevarenzone zitten. Ontbossing is rechtstreeks gekoppeld aan vier ervan: klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, landgebruik en de watercyclus.
Tegelijk heeft ontbossing heel directe lokale gevolgen. Zeker in het Globale Zuiden zijn veel gemeenschappen voor hun levensonderhoud in belangrijke mate afhankelijk van bos. Ontbossing, bosbranden en overstromingen door verlies aan kruinbedekking hebben voor hen rechtstreekse materiele, financiële en gezondheidsgevolgen.
Inheemse gemeenschappen, de beste bosbeschermers, worden vaak uit hun leefgebied verdreven, of erger. Voor 2024 telde Global Witness 146 mensen die hun natuur beschermden, als vermoord of vermist.
De rechtstreekse oorzaken van ontbossing zijn de vormen van landgebruik waarvoor bos plaats moet maken. Landbouw is met grote voorsprong de belangrijkste (wereldwijd ongeveer 80 procent, voor tropisch bos zelfs 90 procent). Een aantal producten spelen daarbij een disproportioneel grote rol. Vleesproductie, met enorme oppervlaktes grasland en akkerland voor de productie van veevoer zoals soja – voor een groot deel in het Amazonegebied – staat daarbij met voorsprong bovenaan.
Landbouw is met grote voorsprong de belangrijkste vorm van landgebruik waarvoor bos plaats moet maken. Vleesproductie staat daarbij met stip bovenaan.
Daarna komt palmolie, een belangrijk ingrediënt in ontelbaar veel producten gaande van koekjes en cosmetica tot brandstof, waarvan de productie zich concentreert in Zuid-Oost Azië. In West-Afrika verloren Ivoorkust en Ghana respectievelijk meer dan 80 en meer dan 65 procent van hun bossen sinds 1960, voornamelijk voor de productie van cacao. Veel koffieplanten gedijen goed op grotere hoogte, waardoor ze emblematische bergwouden doen verdwijnen. Materialen als hout en rubber kunnen duurzaam worden geoogst uit goed beheerde bossen, daarom is het des te pijnlijker dat veel bestaande bossen moeten wijken voor productie-plantages met monoculturen.
Onze vraag
Via de import van veel van die producten als grondstof, om verder verwerkt en verhandeld te worden in de EU, importeren we ontbossing. Van het ontbost perceel via enkele tussenstappen het vrachtschip in, daarna ontscheept in onze havens, om hier verder verwerkt of verhandeld te worden – vaak met de meeste waardetoevoeging en winst – om dan in supermarktrekken te belanden. Aan het einde van die waardeketen staan wij, consumenten.
Onze vraag is in die zin de onderliggende oorzaak van ontbossing, grotendeels onbewust, ongewild en aangestuurd door de markt. Met ongeveer 15 procent van het wereldwijde aandeel is de EU de tweede grootste ‘ontbossingsimporteur’ – goed voor bijna 2.000 vierkante kilometer per jaar, voornamelijk gekoppeld aan cacao, palmolie, koffie en soja. Alleen al de Vlaamse economie veroorzaakt naar schatting elke vijf à zes jaar een bosverlies in de (sub)tropen ter grootte van het volledige Vlaamse bosbestand.
Verduurzaming van Europese waardeketens van bosproducten is daarom een onmisbaar deel van de oplossing om ontbossing te stoppen – naast een ander landbouwbeleid en een betere ruimtelijke planning in boslanden, beschikbare middelen voor effectieve bosbescherming, en grondstoffenprijzen op de wereldmarkt die ecosystemen waarachtiger valoriseren.
In juni 2023 nam de EU verantwoordelijkheid op door de ontbossingswet (EU Deforestation Regulation, EUDR) in het leven te roepen. Als een van de kroonjuwelen van de Green Deal, legt deze een zorgplicht op aan bedrijven actief in waardeketens van producten met een hoog ontbossingsrisico. Die moeten daarbij verzekeren dat er geen ontbossing op de Europese markt wordt gebracht via import of productie.
Wereldwijde gamechanger
De EUDR bouwt voort op de bestaande wetgeving rond de import van illegaal hout (de EU Timber Regulation, EUTR) en zal die op termijn vervangen. Naast een breder toepassingsgebied met toevoeging van de hierboven vermelde grondstoffen en afgeleide producten, gaat ze een pak verder wat betreft de verplichtingen.
Dat bleek nodig uit de geleerde lessen van de EUTR, met nog te veel achterpoortjes. De verordening bepaalt dat bedrijven ‘gepaste zorgvuldigheid’ (due diligence) moeten toepassen, met een aantal minimumvereisten voor te verzamelen informatie, die vervolgens wordt gebruikt om in te schatten of er ontbossing ‘kleeft’ aan de producten. Het concept van risicobenadering loopt als rode draad door de wet: de in-scope producten werden bepaald in functie van het ontbossingsrisico, landen van herkomst worden ingedeeld in risicoklassen (met verschillende bepalingen), en risicoanalyse en -mitigatie zijn belangrijke elementen van de zorgvuldigheid.
Tegelijk is de wet geen eenheidsworst. Er gelden verschillende verplichtingen naargelang het type (importeur, verwerkers, handelaars), naargelang de grootte van het bedrijf (met minder verplichtingen voor KMO’s) en naargelang de positie binnen de waardeketen (stroomop- of -afwaarts). Behalve de algemene bepalingen is er geen vaste procedure die wordt opgelegd om de zorgvuldigheid aan de dag te leggen – dat verschilt in de praktijk immers sterk van bedrijf tot bedrijf. Spelers stroomafwaarts in de keten konden daarbij steunen op werk gedaan door hun leveranciers.
Voor een keten als die van cacao is het marktaandeel van de EU aanzienlijk genoeg opdat de ontbossingswet wereldwijd een transformatief karakter heeft.
De EUDR bevat enkele elementen die terecht als baanbrekend werden bestempeld, zoals de informatieplicht voor ruimtelijke ligging met coördinaten (geolocatie) van alle percelen van oorsprong van een bepaald product. Dat kan inderdaad uitdagend zijn, zeker voor producten die in grote volumes, afkomstig van talrijke percelen, worden verhandeld, of in complexe toeleveringsketens met continue menging.
Maar het is essentieel om effectief te kunnen verzekeren dat er geen ontbossing kwam kijken bij de productie – als je niet weet waar producten vandaan komen, hoe kun je dan stellen dat er op die plaats geen bos verdwenen is? De wet legde in de oorspronkelijke versie ook zorgplicht op voor alle spelers, over de hele keten, met een insteek van collectieve verantwoordelijkheid, en om het risico op omzeiling minimaal te houden.
Met de EUDR werd binnen de EU een gelijk speelveld gecreëerd voor het weren van ontbossing uit waardeketens. Voor een keten als die van cacao is het marktaandeel van de EU aanzienlijk genoeg opdat de EUDR wereldwijd een transformatief karakter heeft. Om de impact te verbreden zou de EU aanvullend inzette op green diplomacy en partnerschappen met producerende landen, met het oog op beleidsconvergentie en ondersteuning bij implementatie.
Bij de inwerkingtreding van de wet werd al gewerkt aan of gedebatteerd over gelijkaardige instrumenten in onder meer de Verenigde Staten (Forest Act) en het Verenigd Koninkrijk (Environment Act).
Naast de verplichtingen biedt de EUDR bovendien veel kansen. Een beter inzicht in de eigen waardeketens en data over de herkomst van producten – informatie die bovendien gekoppeld kan worden aan kwaliteit – heeft op zichzelf al waarde. Informatie die vertrouwen kan scheppen bij consumenten die steeds bezorgder zijn over hun impact, en die het makkelijker maakt om gericht bij te sturen of in te grijpen waar nodig.
‘On hold’
Op het moment dat de wet werd uitgebracht, zag de toekomst voor bossen er een stuk rooskleuriger uit. De EUDR zou broodnodige systeemverandering teweeg brengen. Met één instrument zouden de ontelbare lijntjes worden beïnvloed die honderden miljoenen consumenten verbinden met stukjes bos aan de andere kant van de wereld. De recordinbreng van 1,2 miljoen burgers op de publieke consultatie voorafgaand aan het wetsvoorstel van de Europese Commissie, en het feit dat dit zonder veel kleerscheuren door de politieke besluitvorming raakte, wezen op een groot draagvlak.
Ondertussen zijn we meer dan tweeënhalf jaar verder en de EUDR staat nog steeds ‘on hold’.
Grote bedrijven kregen nog anderhalf jaar, KMO’s nog twee, om zich voor te bereiden op naleving, met zicht op effectieve uitvoering vanaf begin 2025. Ondertussen zijn we meer dan tweeënhalf jaar verder en de EUDR staat nog steeds ‘on hold’. Eind 2024 stelde de Europese Commissie zelf een jaar uitstel voor. Gesterkt door de aanzwellende weerstand tegen de Green Deal, ingeluid door de boerenprotesten, en met een nieuwe, veel minder bosgezinde samenstelling van het Europees Parlement, werd deze situatie aangegrepen om de wet te proberen af te zwakken.
De voorstellen van in hoofdzaak de EVP-fractie, waarin ook cd&v zetelt, eisten onder andere de invoering van een ‘nulrisico-categorie’ – een de facto vrijstelling voor voornamelijk EU-landen. Behalve oneerlijk voor derdelanden, zou dat de wet onwerkbaar maken. Die aanpassingen werden echter geblokkeerd door de lidstaten in de Europese Raad. Uitstel van een jaar kwam er wel.
Veel spelers leken tevreden met de logica van de Commissie: extra voorbereidingstijd om vanaf begin 2026 nog beter van start te kunnen gaan. Toch was de toon gezet, en de druk bleef aanhouden. 2025 werd een jaar van afbouw van de Green Deal en van veel vooruitgang die in de vorige legislatuur was bereikt. In duizelingwekkend tempo, zonder de grondige impactanalyses en zonder stakeholder-overleg – die er wel waren in de opbouw-fase – ondergingen meerdere milieuwetten verregaande aanpassingen. Vaak met beperking van het toepassingsgebied tot een veel kleinere groep bedrijven.
In de herfst werd ook de EUDR meegesleurd in dit proces, met een nieuw Commissievoorstel voor nóg een jaar uitstel en voor minder verplichtingen. Het parlement en de lidstaten deden er nog een stevige schep aanpassingen bovenop.
De EVP neemt het voortouw
In deze processen nam de EVP steevast het voortouw, met meerderheden in het parlement die werden behaald dankzij de steun van extreem-rechts. De Europarlementsleden van cd&v zaten zowel in 2024, als bij deze stemming niet op een lijn met de fractie. Toch stemden ze eind 2025 wel in met de afzwakkende amendementen. De onderbouwende framing was administratieve vereenvoudiging en het fit-for-purpose maken.
In de praktijk kwam het neer op deregulering en uitholling van wetgeving die burgers betere kansen op een leefbare toekomst zou geven. Hoe de zaken er nu voor staan, kunnen we niet meer om een stevige aanpak heen. Claims dat men tégen ontbossing is, zoals in het verkiezingsprogramma van cd&v, maar vóór het versoepelen van de wetgeving rond bosbescherming, zijn in de huidige context moeilijk met elkaar te verzoenen.
Claims dat men tégen ontbossing is, zoals in het verkiezingsprogramma van cd&v, maar vóór het versoepelen van de wetgeving rond bosbescherming, zoals de EVP-fractie met cd&v voortrekt, zijn moeilijk met elkaar te verzoenen.
Verduurzaming van de waardeketens gaat uiteindelijk ook over de toekomstperspectieven van de betrokken sectoren zoals de bosbouw of chocoladeproductie. Ontbossing en de eraan gekoppelde klimaatverandering houden immers enorme risico’s in voor de productie en stabiliteit van toeleveringsketens van de nodige grondstoffen.
Eind dit jaar zou nog steeds een ontbossingswet in werking treden waarvan de kern overeind blijft – de zorgplicht met geolocatie van oorsprong van producten – maar die danig werd uitgekleed. De verplichtingen worden grotendeels beperkt tot wie een product voor het eerst op de markt brengt, met bijkomende uitzonderingsregels voor kleinschalige producenten die voornamelijk van toepassing zijn voor Europese spelers – bijzonder oneerlijk voor kleinschalige boeren in het Globale Zuiden.
Een bijkomend jaar uitstel betekent ook weer 2.000 km2 verloren bos. Als het daarbij blijft tenminste, want zowat de meest problematische aanpassing is de mogelijkheid tot bijkomende herziening in april 2026. Na een traject van jaren onzekerheid over mogelijke aanpassingen, is er dus nog steeds geen definitieve duidelijkheid.
Europese stabiliteit
De EUDR en andere elementen van de Green Deal brachten bezorgdheden over bijkomende administratie, die resoneren bij veel bedrijven. Omgekeerd echter waren heel wat bedrijven wél klaar om de wet na te leven. De laatste plotwendingen moeten bijzonder frustrerend zijn voor wie zich heeft ingespannen en geïnvesteerd heeft om op tijd klaar te zijn. Al die onduidelijkheid ondermijnt de geloofwaardigheid van de EU als garant van stabiliteit en rechtszekerheid.
De ontbossingswet zou bovendien een antwoord bieden op de bezorgdheden van boeren over oneerlijke concurrentie door de import van milieuschadelijke producten – zeer actueel in het licht van het MERCOSUR-handelsakkoord. Dat was net een van de redenen waarom de wet ook bij de EVP op draagvlak kon rekenen in de ontwikkelingsfase.
De ontbossingswet zou een antwoord bieden op de bezorgdheden van boeren over oneerlijke concurrentie door de import van milieuschadelijke producten – actueel in het licht van het MERCOSUR-handelsakkoord en een van de redenen waarom de EVP de wet initieel steunde.
Europese beleidsmakers hebben op dit moment veel aan hun hoofd. In complexe, zelfs gevaarlijke tijden, zoekend naar manieren om de EU sterk te houden, door een samenspel van crises te loodsen. Maar een afbouw van onze voortrekkersrol in duurzaamheid, klimaat en natuurbeleid, kan niet de juiste manier zijn. Het gaat hier over existentiële bereidingen. Dat brengt ons terug bij waarom de EUDR zo nodig is: om bossen, en daarmee burgers, hier en in het Globale Zuiden, te beschermen tegen een probleem waarvan de impact nog steeds onderschat wordt.
Daarom is het cruciaal om snel werk te maken van de uitvoering van een wet die nog steeds een gamechanger is, op een manier die voor iedereen goed werkt. Om waardeketens echt ontbossingsvrij te maken, gebruikmakend van het momentum dat de EUDR al in gang heeft gezet. Veel boeren, bedrijven en exportlanden overal ter wereld hebben al enorme stappen vooruit gezet. Er kan worden geleerd van de ervaringen van de houtsector met EUTR, nu al meer dan twaalf jaar van kracht.
Als deel van een constructieve dialoog tussen stakeholders. En doorlopend zorgend voor voldoende ondersteuning, zodat kleinere spelers – ook in landen met tropisch bos – niet uit de boot vallen. Zoals een van de bezielers van het model van planetaire grenzen, de Zweedse hydroloog Johan Rockström, het stelde in een toespraak aan de VN over de urgentie van ambitieuze klimaatmaatregelen: ‘Falen is niet onvermijdelijk. Het is een keuze.’
De keuze voor een doortastende uitvoering van de EUDR, een transformatie van wereldwijde waardeketens en de inzet van alle beschikbare middelen om ontbossing zo snel mogelijk tot nul te brengen, zet ons op een traject naar een leefbare toekomst.

