De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) hamert in een nieuwe studie op een Belgische pensioenhervorming. Nog maar eens. Ditmaal is de afhankelijkheid van de wettelijke pensioenen kop van jut.
In geen ander OESO-land, vooral Westerse en geïndustrialiseerde landen, is die zogenaamde 'eerste pijler' zo bepalend voor het pensioen. Zo'n 86 procent van het gemiddelde brutopensioen komt bij ons uit overheidsmiddelen. Elders wegen de 'tweede pijler', een pensioenplan via je werkgever, of de'derde pijler', individueel pensioensparen, harder door.
Maar er zijn goede redenen zijn om het belang van die eerste pijler niet zomaar af te bouwen, vindt Matthias Somers van Denktank Minerva. 'Belastingvoordelen voor wie investeert in private pensioenopbouw, komen alleen ten gunste van mensen met voldoende financiële slagkracht om daar middelen voor vrij te maken. De keuze tussen een hoge eerste pijler en een hoge tweede, of derde pijler is niet neutraal.'
Ongelijkheid
Wie geen spaargeld heeft, kan ook niet aan vrijwillig pensioensparen doen. 'Bij ons neemt de overheid een grotere rol op zich', aldus Somers. 'Maar wat we niet publiek betalen, moeten we zelf ophoesten.' Zo dreigt een lagere eerste pijler vooral de ongelijkheid tussen pensioenen te vergroten.
Zelf maakte de OESO al een kanttekening. 'De afhankelijkheid van de eerste pijler heeft veel te maken met het moment waarop de tweede en derde pijler uitbetaald worden', aldus Wouter De Tavernier, pensioenexpert bij de OESO. 'Dat gebeurt vaak in één keer voor je 65ste, waardoor je het minder terugziet in de data van 65-plussers.'
'Als je ook fiscale voordelen en verplichte private verzekeringen in de berekening meeneemt, valt het best mee met de kostprijs van de Belgische sociale zekerheid.'
Matthias Somers, Denktank Minerva
'We horen vaak dat de Belgische sociale zekerheid te veel geld kost', gaat Somers verder, 'maar als je ook fiscale voordelen en verplichte private verzekeringen in de berekening meeneemt, zoals een verplichte ziekteverzekering, net als de vrijwillige private verzekeringen die toch ook cruciaal zijn, valt het best mee met de kostprijs van ons systeem. Dan ligt de kostprijs van sociale uitgaven in Nederland of de Verenigde Staten hoger dan in België.'
Langer werken
Voor de OESO is de studie een opmaat om de betaalbaarheid van de Belgische pensioenen in vraag te stellen. De komende dertig jaar zouden de overheidsuitgaven voor pensioenen stijgen van twaalf naar vijftien procent van het bbp. 'We weten wat er moet gebeuren om het betaalbaar te houden', zegt De Tavernier. 'De pensioenleeftijd koppelen aan de levensverwachting en lagere wettelijke pensioenen, bijvoorbeeld.'
'In Duitsland of andere Noord-Europese landen is de mindset anders en halen oudere een groter deel van hun inkomsten uit werk.'
Wouter De Tavernier, OESO
Hopelijk houdt de OESO in dat advies rekening met de grote verschillen in gezonde levensverwachting in de samenleving. Korter geschoolde Belgen die de arbeidsmarkt betreden mogen zich aan ongeveer tien gezonde levensjaren minder verwachten dan hogergeschoolden, leren cijfers van Sciensano. De algemene levensverwachting in goede gezondheid ligt, volgens het Federaal Planbureau, met 63,8 jaar onder de huidige pensioenleeftijd van 65 jaar (67 jaar vanaf 2030).
De Tavernier merkt tot slot op dat de opvatting dat een pensioen dient 'om te genieten van je oude dag' bij ons meer ingeburgerd is dan in andere landen. 'In Duitsland of andere Noord-Europese landen is de mindset anders en halen ouderen een groter deel van hun inkomsten uit werk. Het moet 'normaal' zijn om langer te werken.'
De vraag is natuurlijk of dat uit vrije keuze of uit noodzaak is, en of we moeten willen dat een 'genotsvolle oude dag' wordt omgezet in werktijd.

