THÉODOMIR NSENGIMANA ¬ ‘Voor een buitenstaander lijkt carnaval soms op georganiseerde anarchie, maar eigenlijk is het een gigantisch warm familiefeest. Ik zie van dichtbij hoeveel werk erin kruipt: mensen die na hun job nog tot laat in de hallen staan te zagen, te lassen, te schilderen… Sommigen steken werkelijk hun hele jaar in dat ene weekend aan het begin van het krokusverlof. Het gaat niet alleen om de wagens of de kostuums. Groepen zamelen ook tonnen geld in. Soms tot 100.000 euro per jaar.’
JO BAETENS ¬ ‘Na carnaval nemen we even pauze, maar al snel begint het opnieuw: evalueren, brainstormen, een thema kiezen… Je hebt ook de praktische dingen: de oude wagen afbreken, beslissen wat we houden of verkopen, stukken uitwisselen op de carnavalsbeurs…’
Naast het werk in de hallen is er ook het financiële aspect.
JO ¬ ‘Elk lid engageert zich om zo’n 900 euro op te halen via activiteiten. Mattentaartenverkoop, een eetfestijn, een quiz, helpen op evenementen van anderen… Het vraagt enorm veel tijd, maar het creëert ook een sterke band.’
Die band is soms generaties breed.
JO ¬ ‘Onze groep is ooit ontstaan uit generatiegenoten, maar mensen komen en gaan. Oud-leden blijven betrokken. En gelukkig komt er ook verjonging — dit jaar hadden we acht jongeren die bijna elke dag na school kwamen helpen.’
Samenwerking én geheimhouding
Samen stappen we richting de carnavalshallen in de buurt van de Varkensmarkt op Aalst Rechteroever. We kijken onze ogen uit. De hallen zijn prachtig uitgedost in kleurrijke murals. En binnen hangt er op een doordeweekse woensdagnamiddag een sfeer die tegelijk collegiaal en mysterieus is.
Wij leven echt een heel jaar toe naar carnaval
Jo Baetens
JO ¬ ‘Je leert er van elkaar, maar tegelijk houden veel groepen hun plannen zo lang mogelijk geheim. Pas vier à zes weken voor carnaval zie je echt waar iedereen mee bezig is. Tot dan zijn het ruwe constructies, koppen die elders gesneden worden, kostuums die in garages ontstaan... Carnavalsgroepen proberen zoveel als kan in te spelen op de actualiteit. En dat is niet altijd makkelijk gezien we daar maandenlang op voorhand mee bezig moeten zijn…’
Feest voor alle Aalstenaars?
Theo, jouw wortels liggen hier ook ver vandaan. Hoe kwam jij in contact met het gebeuren?
THEO ¬ ‘Ik herinner mij nog mijn eerste deelname: de popverbranding op het Vredeplein, het eerste jaar dat ik in Aalst woonde. Die beleving, die emoties… dat was fantastisch. Vandaag zie ik dat kinderen er snel ingroeien via school. Maar volwassenen die niet in Aalst zijn opgegroeid, hebben soms meer tijd nodig. Toch merk ik dat velen wíllen meedoen. Als ik mensen met migratieachtergrond zie langs de stoet, voel ik toch die liefde voor het gebeuren.’
JO ¬ ‘Iedereen speelt zijn rol: grote officiële groepen, kleine bendes, “voil jeanetten”, en vooral: het publiek. Zonder publiek geen stoet, geen carnaval…’
THEO ¬ ‘Carnaval begint klein. Twee of drie vrienden die beslissen zich te verkleden en op stap te gaan. En binnen de duidelijke, veilige omkadering van de stad mag je veel. Die openheid, die kameraadschap – dat maakt carnaval écht Aalst.’

Over satire en gevoeligheden
In de hallen krijgen we nu al een inkijk op de reusachtige karikaturen, gesneden in een vorm van piepschuim, versterkt met allerlei materialen. Even verder zien we een kop van Theo. Hij voelt zich zichtbaar vereerd door die carnavaleske aandacht…
JO ¬ ‘Er is meer bewustzijn dan vroeger bij de carnavalisten. Humor blijft essentieel, maar groepen weten dat iets wat hier kan, elders anders kan overkomen. Het blijft hoe dan ook ludiek bedoeld, niet met het doel om te kwetsen.’
THEO ¬ ‘Tijdens de stoet mag je eens met alles lachen. Dat stopt na die dag. En zelfs politici lachen vaak mee. Sommigen hopen zelfs dat ze onderdeel worden van de stoet.’
Een bizar hoogtepunt: de avond van de voil jeanetten
JO ¬ ‘Voor veel carnavalisten is dinsdag een apart beestje. Sommige van onze mensen kleden zich dan totaal anders dan op zondag: bontjas, kinderkoets, vogelkooi met haring, kapotte paraplu en lampenkap als hoofddeksel. Afsluiten als voil jeanet.’
THEO ¬ ‘Ik ben er elk jaar bij. Voor mij is dat de beste dag. Pure sfeer, pure chaos - maar op de meest Aalsterse manier mogelijk.’
Veiligheid en zorg voor elkaar
THEO ¬ ‘De stad investeert dan stevig in veiligheid, al zijn het vooral de carnavalisten zelf die de sfeer rechthouden. Zij tolereren geen geweld. Ze sturen iemand die te ver gaat gewoon naar huis. Die sociale controle is enorm.’
JO ¬ ‘En ze helpen elkaar – zeker bij slecht weer, of als iemand het moeilijk heeft. Die zorgzaamheid zie je soms niet vanop afstand, maar het is er altijd.’
De toekomst?
JO ¬ ‘Het feit dat wij al jaar en dag met een zeventigtal groepen een carnavalsstoet maken, zegt veel. Er vallen groepen weg, maar er komen er ook bij. Ook in de scholen wordt er steeds meer rond het thema carnaval gewerkt, wat zowel de kinderen als hun ouders stimuleert om naar de stoet te komen kijken. En op maandag wordt ook een kindercarnavalsfeest georganiseerd.’
THEO: ‘Die sfeer van samenhorigheid, samen drinken en zingen, dat is bijzonder. En echt iedereen doet eraan mee: van rechters en dokters tot zorgkundigen en arbeiders… Het is een prachtig feest!’
Tekst: Nancy Vereecke en Koen Browaeys
